For our heritage and freedom ! Home | About | Contact | Vincent De Roeck | Liberty Quotes | The Free State | In Flanders Fields | Nova Libertas | Feeds |

Een “dream snatcher”. Zo omschreef Anne Perkins, de vaste boekrecensente van de centrumlinkse Britse kwaliteitskrant “The Guardian”, onlangs het boek “The Forgotten Man” van Bloomberg-columniste Amity Shlaes. “Het boek maakt een libertarische balans op van de New Deal en brengt de staat eigenlijk toch wel een zware slag toe,” aldus Perkins in de slotconclusie van haar boekrecensie. En wie ben ik om haar tegen te spreken? Het boek is inderdaad meesterlijk geschreven en de aangehaalde argumentaties zijn onderbouwd. Zelfs voor leken of niet-Engelstaligen is het boek uitermate leesbaar en zeker aan te raden. Amity Shlaes is als “senior fellow” verbonden aan de Amerikaanse “Council on Foreign Relations” en gaf het boek de ondertitel “A New History of the Great Depression” mee. Shlaes noemt zichzelf traditioneel conservatief maar wordt door velen toch eerder als conservatief-libertair beschouwd. En aan dat libertarisch imago zal na de publicatie van dit boek niet meteen een einde komen, vermoed ik, en dit trouwens ondanks haar overdreven nadruk op het ronduit stupide belastingbeleid van Franklin Roosevelt - wat al bij al eigenlijk toch nog een vrij conservatieve invalshoek is - als hoofdoorzaak van het nodeloos rekken van die depressie.

Het concept van de “vergeten man” ontstond in de tweede helft van de 19de eeuw aan Yale en werd toen voor het eerst geclaimd door econoom William Sumner. Die omschreef dit sociaal paradigma als een man “die werkt, stemt, bidt, en altijd betaalt”. Een ersatz-vorm eigenlijk van dat ander sociaal paradigma “de hardwerkende Vlaming” dat ooit nog door een Vlaamse liberale partij naar voren werd geschoven om even snel terug afgevoerd te worden toen die partij een “socialere centrumkoers” wou gaan varen. Franklin Roosevelt interesseerde zich niet in die “vergeten man”. Hij verkoos de migranten die de “dust bowl” ontvluchtten, de werkloze fabrieksarbeiders en iedereen aan de onderkant van de economische ladder boven de door Sumner verdedigde hardwerkende civieke belastingbetalers. Zijn “New Deal” had lak aan de overbelaste productieven en zou zich uitsluitend gaan focussen op de verbetering van de levensomstandigheden van de armen, de pechvogels en alles wat niet kan of niet wil werken. Amity Shlaes zag het als haar taak om in dit boek de leugens van de geschiedschrijving aan te kaarten en de sociaal-democratische idylle rond het vermeende succes van de “New Deal” te doorprikken. Het uitgangspunt: Sumners “vergeten man”.

Het verhaal dat Shlaes vertelt, speelt zich af in een tijd waar de beurskrach van 1929 nog fris in het geheugen van de mensen ligt en er een maatschappelijke consensus bestaat rond het falen van de vrije markt en het kapitalisme. Eigenlijk een gelijkaardige situatie zoals vandaag. Het ultra-liberale beleid van Coolidge in de Verenigde Staten en Baldwin in het Verenigd Koninkrijk krijgt de schuld voor de economische neergang en de burgers zoeken hun heil in extremistische ideologieën als het fascisme of het communisme. Het siert de Anglosphere-landen dat zij zich uiteindelijk bezonnen hebben en niet voor deze extreme wereldbeelden gevallen zijn, zoals elders in de wereld, en dan zeker op het Europese vasteland met alle desastreuze gevolgen van dien, maar ook de Angelsaksen zijn zeker niet vrij van zonden. De vrije markt werd er evenzeer aan banden gelegd en de overheid zou er voortaan evenzeer het kapitalisme controleren én sturen. De “onzichtbare hand” van Adam Smith werd immers ook in de VS en Engeland vervangen door centrale planning en sociale correcties, zonder de enorme toename van welvaart sinds de industriële revolutie en de opkomst van het Smithiaanse kapitalisme ook maar enigszins in beschouwing te nemen.

De “New Deal” was toen ook geen kwestie van rechts tegen links, want zowel de GOP als de Democraten steunden de maatregelen. Meer zelfs: het was de Republikeinse president Hoover die na de beurskrach allerlei regels begon uit te vaardigen en protectionistische maatregelen begon te nemen. En later was het een Republikeinse meerderheid in het Hooggerechtshof dat de staat de toestemming gaf om te nationaliseren en te centraliseren, ook als de overheid zo met belastinggeld zou concurreren met private bedrijven. In 1932 kenmerkte de presidentsverkiezing in de VS zich door een opbod van interventionistische en anti-kapitalistische voorstellen, zowel aan Republikeinse als aan Democratische kant. Uiteindelijk kozen de Amerikanen voor de partij die niet aan de macht was tijdens de beurskrach, ook al had die er objectief eigenlijk niets met van doen, en vielen ze als een bende naïevelingen voor de belofte van Franklin Roosevelt om “binnen honderd dagen” de economie te herstellen via een nieuw opgerichte “brain trust” van externe experts. Dat deze “objectieve” raadgevers allemaal in wol geverfde Keynesianen waren, was voor Roosevelt kennelijk geen enkel probleem. En dat de VS vier jaar na de 100-dagenbelofte nog steeds onder de depressie gebukt ging, was voor de burgers kennelijk geen probleem om Roosevelt zonder veel erg te herverkiezen.

Roosevelts “New Deal” hervormde niet enkel de Amerikaanse economie, maar ook de overheid en in wezen eigenlijk de ganse samenleving. De autonomie van de deelstaten werd teruggeschroefd. De macht werd gecentraliseerd en geconcentreerd in Washington. Nieuwe steden werden gebouwd, ook al zijn velen daarvan vandaag spookstadjes. Coöperatieve boerderijen werden in het leven geroepen, met een weinig verhulde knipoog naar de kolchozen en sovchozen in de Sovjet-Unie. De vakbonden kregen inspraak in het reilen en zeilen van bedrijven, en kregen een beschermd statuut. Het “closed shop” principe, waarbij elke arbeider lid moet zijn van de vakbond, werd ingevoerd. De overheid zou instaan voor pensioenen voor iedereen en er zou ook gewaakt worden over een nationaal opgelegd minimumloon voor alle werknemers. En als kers op de taart startte Roosevelt via radioprogramma’s en fotoshoots een ware propagandamachine op om de “New Deal” te evangeliseren. Het beeld dat wij vandaag van de “New Deal” hebben, vloeit nog steeds grotendeels voort uit Roosevelts propaganda.

Het doet me ergens zelfs denken aan de bekende uitspraak van Winston Churchill: “ik vrees het oordeel van de geschiedenis niet, want het is mijn bedoeling die zelf te schrijven.” Franklin Roosevelt gebruikte de vrij jonge centrale bank om de rijkdom van de Amerikaanse middenklasse af te leiden naar zijn socialistische projecten en maakte speculatie veel minder aantrekkelijk door de oprichting van de SEC. Het leveren van elektriciteit en andere nutsvoorzieningen werd plots een kerntaak van de overheid, net als het belonen van boeren die de overstap naar de fabrieksindustrie wilden maken. Republikeins tegenkandidaat Wilkie was nog één van de weinigen uit die tijd die durfde stellen dat de staat geen enkele taak te vervullen had in de economie. Wilkie werd natuurlijk niet verkozen en ging de geschiedenis in als de allerlaatste sociaal-darwinist van de GOP. En hoe langer Roosevelt president bleef, hoe meer ook het Hooggerechtshof bevolkt werd door “New Deal”-adepten, zodat zo ook de allerlaatste rem op Roosevelts cryptocommunisme verdween.

Amity Shlaes staat in het boek stil bij de verborgen gevolgen van al deze maatregelen. De vrije markt is niet onfeilbaar, maar het is het beste economische systeem dat we voor handen hebben en het heeft de mogelijkheden in zich om zichzelf te corrigeren en de economie terug op het spoor naar duurzame herstel te zetten. Shlaes zegt bepaalde bouwprojecten van de “New Deal” nog te kunnen begrijpen als deel van een kortetermijnvisie, maar vindt de rigide regels en vooral de enorme toename van het overheidsbeslag onaanvaardbaar. Elke extra weggenomen dollar van bedrijven of individuen had meer meerwaarde voor de economie kunnen genereren in private handen dan in die van een smoszieke overheid. En ook moreel heeft Shlaes problemen met de “New Deal”. Het zou een regelrechte aanval geweest zijn op de grondbeginselen van de “American Dream” waarvan we de impact nog tot op vandaag blijven terugvinden. “De kwade geest van FDR waart nog steeds rond in Washington”, aldus Shlaes. En het mislukken van de verwoede pogingen van president Bush in de laatste jaren om in Medicare te snoeien en het pensioensysteem te hervormen, zijn daar slechts twee voorbeelden van.

Shlaes waarschuwt haar lezers dat Washington een nieuwe “vergeten man” aan het creëren is: de jonge generatie wiens ondernemersdrang en zin voor initiatief totaal gefnuikt worden door torenhoge belastingen en alomtegenwoordige bureaucratie. Shlaes eindigt met de - volgens mij volledig terechte - beschouwing dat er in de economie én de samenleving eigenlijk maar weinig bestaat dat de overheid beter kan doen voor de burgers dan die burgers voor zichzelf. En ook al werd dit boek geschreven toen er van een financiële crisis nog niet meteen sprake was, toch vermoed ik dat we de parallellen naar de situatie van vandaag zonder veel moeite kunnen doortrekken. Een nieuwe economische neerval, een nieuwe roep voor meer overheidsingrijpen, en een nieuwe bereidwilligheid bij het establishment om het volk daarin tegemoet te komen. En opnieuw zal de periode van laagconjunctuur door dit alles in tijd enkel maar verder verlengd worden. Wie weet rest er ons uiteindelijk niets anders meer dan hoop op een Derde Wereldoorlog om ons uit dit etatistisch moeras te trekken? Of zou het verspreiden van Shlaes’ uitstekend boek onder de beleidsmakers misschien even efficiënt zijn? Ik hoop alvast van wel.

Deze boekbespreking verscheen ook in het magazine "Blauwdruk".

Meer politieke boekbesprekingen op www.politics.be.

7 Reacties:

At 17:46 Vincent De Roeck said...

In the November issue of the FEE publication "The Freeman", Joseph Stromberg reviewed Naomi Klein's latest book, labelled "The Shock Doctrine". Stromnberg's review is even better than the book itself!

The core thesis of Naomi Klein’s “The Shock Doctrine” is that American foreign and domestic policies of the last 30 years have shaped a new corporatism. Corporatism, Klein writes, “originally referred to Mussolini’s model of a police state run as an alliance of (…) government, businesses and trade unions (…) in the name of nationalism.” Latter-day corporatism involves “a huge transfer of wealth from public to private hands, followed by a huge transfer of private debts into public hands.” Neo-liberal corporatism “erases the boundaries between Big Government and Big Business,” while organized labor - indeed all labor - is locked out of the new arrangements. Klein’s case is tightly organized, well presented, and overwhelming in cumulative impact. She makes a complex argument dealing with what are, indeed, complicated matters. Some reviewers complain that Klein forces the evidence into a pattern. They say her treatment of the views of certain psychologists, economists, and military planners and her comparative account of how those views are (were) implemented, are “unfair,” especially to the economists.

But Klein rightly pursues the ideas in question across these fields of knowledge (and action) by analogy - a perfectly good Aristotelian and Thomistic procedure. “Hooding” a captive and “blacking out” an entire city by bombing are analogous, because they are done for the same reason - to disorient and confuse, and so on, through further stages of comparison. The said psychologists, economists, and military planners dwell endlessly on certain themes because they see the world as a manipulable object and proceed from shared mechanistic, Hobbesian, positivist premises, whereby actual people are mere atoms, objects, or empty ciphers on indifference curves. We cannot be surprised that these experts’ activities complement one another in real life and reveal an indifference to “unforeseen consequences,” while a kind of mathematical Platonism underlies the supposedly “empirical” performances. Shared themes include “shock,” “shock therapy,” crises as experimental opportunities, and “clean slates” (Hobbes’s “clean paper”) on which to plot out new worlds. They talk this way; Klein makes nothing up.

Klein follows these common threads from the “free-market” Chilean tyranny, through Mrs. Thatcher’s rather mixed reforms, phony “privatizations” in Poland and Russia, the half-mad U.S. invasion of Iraq, with more phony “privatizations,” dispossession of small-holders in Sri Lanka, and “state failure” in New Orleans, where school vouchers were imposed while the city rotted. The Sri Lankan case must suffice here. There, long-established fishermen, having survived the tsunami, were barred from their beach holdings, so that resort hotels favored by the World Bank, U.S. operatives, and investors might expand. This is precisely what a Chicago Law and Economics (Coasean) judge would do. The fishermen are “socially inefficient.” They got no “growth.” Away with their land! They may come back in the reformed “free market” as waiters and busboys. One key to the new order, I would add, is this: By excluding war-making capacity (“defense”) from the concept of “state” by implicit definition, Republican “anti-statists” create a desert mirage. We can wrangle over smaller government any time; no one can reasonably hold that we are getting such a thing now from those in power, sundry “privatizations” notwithstanding.

Klein somewhat overplays the verbal opposition of “public” and “private.” The current rulers set up expensive contractors to coordinate already expensive defense-industry suppliers. This done, the contractors - clothed in state power - are no longer exactly “private”; neither are they “public” like the post office. Our “free market” reformers may answer for any conceptual confusion. And here, Klein may not see that the contractor fad is partly about empowering the Unitary Executive - shielding its operations from congressional oversight. But she is quite right to see numerous threats to democracy. I would add that imposing “spontaneous orders” by debt-leveraging, “privatization,” or invasion amounts to right-wing social engineering - not an especially “conservative” vocation. Neither are “privatizations” - amounting to confiscations on the scale of Henry VIII - conservative. Our current regime calls to mind institutionalized Whig corruption after 1689, when (in E. P. Thompson’s phrase) England was a “banana republic,” everything was for sale, and income migrated upwards via the state.

There are some problems of language throughout the book. Reading it, one might think the author deplores any conceivable free markets whatsoever. Klein uses “capitalism” and “free market” to refer to assertions made by policymaking ideologues merchandising corporatist and imperial policies. I wish she had somehow separated official rhetoric from other possible, face-value meanings of these words, by putting them in quotes or occasionally writing “state-capitalist.” This is, in any case, an important, insightful book. Naomi Klein’s specific critique of new-wave corporatism outweighs any disagreements some might have with her “third way” politics. Accordingly, I hope people read the book before falling into predictable, knee-jerk reactions as they too often do.

 
At 16:09 Anoniem said...

http://zapruder.nl/portal/artikel/the_great_depression_is_coming/nujij
Ook Ron Paul vreest dat we voor een nieuwe 'Grote Depressie' staan.

 
At 23:34 Danish Dynamite said...

Naomi Klein verkoopt gewoon larie en apekool. En maar in complottheorieën en achterkamerpolitiek blijven geloven! Haar "no logo" getuigde al van feitelijke nonsens, maar dit gaat er nog meer over.

 
At 13:12 Nemo said...

Los van mijn persoonlijke aversie voor de persoon Naomi Klein vind ik de thesis in dit boek van haar nog wel te pruimen. ik geloof zelf ook dat overheden hun macht bestendigen op de kap van angstige burgers en dat overheden er baat bij hebben om af en toe de burgers angst aan te jagen. terreurdreigingen en het spelen met veiligheidstoestanden (code oranje enzo) maakt daar geheel deel van uit. De link met het kapitalisme is me dan weer veel minder duidelijk, maar een boek van Klein zonder een sneer naar het vermaledijde globalisme/kapitalisme zou niemand hebben kunnen geloven.

 
At 14:09 Anoniem said...

Lap, daar hebben we die debiele Ron Paul weer! Nu beginnen ook de lezers van deze site die pipo al te verheerlijken. Realisme, RIP.

 
At 12:20 Nicolas Raemdonck said...

Totaal buiten de kwestie maar gelukkig zelfs de woordenboeken volgen de opkomst van Obama zeer vlu: http://nicolasraemdonck.wordpress.com/2008/11/03/obamanomics-definition-of/

 
At 12:21 Anoniem said...

Lees de kritieken van Johan Norberg op Klein maar eens. Kan je onder andere hier vinden.

http://www.cato.org/pub_display.php?pub_id=9384

 

Een reactie plaatsen