For our heritage and freedom ! Home | About | Contact | Vincent De Roeck | Liberty Quotes | The Free State | In Flanders Fields | Nova Libertas | Feeds |

Posts tonen met het label Bloemlezing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bloemlezing. Alle posts tonen

Deze zomer viert Duitsland de zestigste verjaardag van haar naoorlogs Wirtschaftswunder. Toen de oorlog in Europa in 1945 ten einde kwam, was Duitsland een puinhoop: haar steden waren vernietigd, miljoenen burgers waren gedood, veelvouden daarvan waren gewond, voedsel was schaars, hongersnood loerde om de hoek, de vluchtelingenkampen barstten uit hun voegen en ook de gevangenissen puilden uit met iedereen die ook maar van de kleinste misdaad beticht kon worden. De Nazi’s hadden doorheen de jaren een allesomvattend controlesysteem op poten gezet dat zowel productiequota als de prijzen van goederen en de lonen van werknemers overspande. De oorlogsmachine van de Nazi’s werd hoofdzakelijk gefinancierd door het bijdrukken van waardeloze Reichsmarken met een ongeziene vorm van “repressed inflation” tot gevolg. Zeldzame goederen werden eerst gerantsoeneerd maar ook dat bracht geen soelaas: na enige tijd werden deze goederen gewoon niet meer geproduceerd. Tegen de overgave van de Nazi’s in mei 1945 bengelde Duitsland socio-economisch dan ook over de afgrond. En daar hadden zowel hun mislukte planeconomie als de oorlog schuld aan.

Na de overgave van Nazi-Duitsland werd het land in vier bezettingszones onderverdeeld. In Sovjetgebied werd de industrie ontmanteld en naar het moederland verscheept als “herstelbetalingen” en/of oorlogsbuit, werd een Stalinistisch communistisch schrikbewind geïnstalleerd en kregen Sovjetsoldaten de toestemming om de lokale Duitse bevolking te terroriseren. Honderdduizenden van hen kwamen later om in sinistere strafkampen in Siberië. De drie Westerse bezettingszones maakten zich niet schuldig aan Sovjettoestanden maar hun medeleven voor de Duitsers was even gering. De Duitsers, ofschoon officieel dan wel “gedenazificeerd”, bleven nog steeds “vijanden” in de ogen van de VS, het Verenigd Koninkrijk, en - vooral - Frankrijk. Buitensporige gulheid jegens de lokale Duitsers kon van hen dan ook niet verwacht worden. Daarenboven hadden de militaire bezettingsoverheden ook geen enkele economische bagage. Gevolg? De Nazi-planeconomie met prijs-, loon- en productiebeperkingen bleef ook na de oorlog behouden.

Gelukkig voor de Duitsers waren niet alle intelligentsia door de Nazi’s uitgemoord of door de Amerikanen naar de VS verscheept. Onder de hoede van Walter Eucken, een professor aan de universiteit van Freiberg, ontstond langzamerhand een kleine dissidente denkgroep van vrijemarktadepten. Deze groep bestond al voor de oorlog, maar moest onder het Nazibewind ondergronds gaan, zodat het na de oorlog moeilijk heropgericht kon worden, maar uiteindelijk lukte het dan toch. Hun inspiraties waren de gekende Oostenrijkse economen Ludwig von Mises, Friedrich von Hayek en Wilhelm Röpke, wiens boeken ook onder het Nazibewind clandestien in hun groepje circuleerden. Euckens luitenant Ludwig Erhard werd in 1946 door de Amerikanen aangesteld als de kersverse Beierse economieminister, een functie die hij tot 1948 met verve zou blijven bekleden. Als minister in de Amerikaanse bezettingsoverheid van Beieren bleef hij de vrije markt verdedigen en trachtte hij een ommeslag in de geesten van de Duitsers te bewerkstelligen. Volgens Erhard hadden de Duitsers zelf schuld aan de economische chaos en konden zij de situatie enkel maar omkeren door hard werk, veel sparen en zelfverantwoordelijkheid inzake sociale thema’s. Erhard was geen pessimist: hij geloofde dat Duitsland ondanks alles een nieuwe plaats te wachten stond in het rijtje van de beschaafde en welvarende landen van de wereld.

In 1948 fuseerden de drie Westerse bezettingszones in één administratief geheel met Ludwig Erhard als minister voor economische zaken. Zijn eerste grote maatregel was munthervorming. Erhard wist de inflatie terug te dringen en monetaire stabiliteit te verzekeren door de invoering van een nieuwe Duitse munteenheid, de Deutsche Mark en door dit te koppelen aan een vermindering van de munthoeveelheid in circulatie. West-Duitsers konden tien Reichsmark inwisselen voor één Deutsche Mark. De tweede stap in de sanering van de naoorlogse Duitse (plan)economie was het afschaffen van de controles op prijzen, lonen en productie. Erhard kondigde deze afschaffing zondags af op de radio en liet deze maatregel de dag nadien al in voege treden, tegen het advies van alle anderen in. Naar verluidt zou de Amerikaanse legerbevelhebber Lucius Clay hem gezegd hebben dat “al zijn adviseurs zeggen dat hij een enorme fout maakt”, waarop Ludwig Erhard “luister niet naar hen, mijn adviseurs zeggen hetzelfde” geriposteerd zou hebben. Deze anekdote is treffend voor de gangbare economische modellen van die tijd.

De positieve effecten van deze twee maatregelen bleven niet lang op zich wachten: goederen werden minder schaars, meer en meer Duitsers konden een job vinden en de prijzen namen gestaag af - na in het begin wel even te stijgen, maar dat is normaal in zulke schokeffectsituaties. Een half jaar later was de productie al met 46% gestegen, en nog eens zes maanden later al met 81%. Tegen eind 1950 was de zieke Duitse economie aan de betere hand: de landbouw- en industriële output was dermate gigantisch dat de prijzen ettelijke factoren lager waren dan in 1948 en dat de levenskosten van de Duitsers drastisch teruggedrongen konden worden. Maar de Duitse motor zou pas echt uitzonderlijk beginnen draaien in de tweede helft van de jaren 1950 en tien jaar later zou Duitsland met een enorme voorsprong de sterkste economie van gans Europa zijn, ook in vergelijking met landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk die de oorlog nochtans gewonnen hadden. De gelden van het Marshallplan droegen minder bij tot deze remonte dan in andere Europese landen en de verwezenlijkingen van de Duitse economisten zijn dan ook meer te danken aan hun beleid en visie dan aan externe subsidies.

Maar het is niet al goud wat blinkt: de hervormingen in West-Duitsland maakten wel komaf met de meest schrijnende uitingen van de Nazi-economie zoals de centrale planning, de controles op prijzen, productie en lonen, en het monetaire wanbeleid, maar van een échte vrijemarkteconomie was geen sprake. Eucken, Röpke en Erhard waren filosofisch misschien wel libertariërs, maar in de praktijk lieten ze het politieke pragmatisme vaak zegevieren, onder het motto van de promotie van “sociale cohesie”. Hun economisch beleid werd later bekend als het “Rijnlandmodel”: een middenweg tussen een vrijemarkteconomie en een genereuze herverdelende welvaartsstaat. Het Rijnlandmodel zou later ook elders als “social market economy” doorgevoerd worden, zijnde dan wel met véél minder succes dan in Duitsland dat omwille van historische redenen meer dan eender welk ander land bereid was de vangnetten te vrijwaren van sociale parasieten op zoek naar een hangmat.

Ook lieten de Duitsers de planzucht van de overheid niet ontsporen omdat de gevolgen van een overdreven planeconomie hen nog vers in het geheugen zaten. De twee aspecten van het Rijnlandmodel die de vrije markt het meest ondermijnen, tot op vandaag, waren ook toen de strakke reguleringen van grote bedrijven en het systeem van “medezeggenschap” tussen vakbonden en directie via permanente sociale onderhandelingen. Vanaf het begin van de naoorlogse Duitse economie bestonden de instellingen al die later de deur zouden open zetten voor almachtige belangengroepen, hoge inkomstenbelastingen, de herverdeling van meer dan 40% van het BNP, de chantage van bedrijven door vakbonden en de algemene cultus van politiek paternalisme, en de gehele Duitse economie zouden verlammen.

Zestig jaar na de introductie van het Rijnlandmodel is het voor iedereen duidelijk dat de beleidsmakers van toen de zaden voor hun eigen ondergang geplant hebben door structuren te creëren die mettertijd opnieuw zouden leiden tot politieke corruptie, intellectuele fraude en nieuwe vormen van verregaande overheidsinmenging in de economie. In mijn ogen, en in die van éénieder met een minimale kennis van macroeconomie, is de markt ofwel vrij ofwel is ze dat niet. Ofwel bepalen consumenten en producenten de prijzen, de lonen en de productie, ofwel bepaalt de overheid dat. Ofwel is de individuele burger een vrij man die een vredesvol leven mag leiden zonder lastig gevallen te worden en die vrijwillig met anderen mag handel drijven of zich met hen associëren, ofwel is de burger een pion op een politiek schaakbord, die vatbaar is voor manipulatie en controle wanneer zijn individuele keuzes niet die van de staat reflecteren. Guy Verhofstadt, Bill Clinton, Wim Kok en Tony Blair hadden ongelijk: er is geen derde weg.

Deze tekst is gebaseerd op de speech van Richard M. Ebeling op een privé-conferentie van het Fraser Institute in “The Suites at 1 King West” in Toronto vorige week, waarop ik aanwezig was. Ebeling is de voorzitter van de Foundation for Economic Education.

Meer over deze libertarische professor op www.fee.org.

Enkele weken geleden werden de officiële cijfers van de bijdragen van alle lidstaten aan de Europese Unie in het jaar 2006 bekend gemaakt door de Europese Commissie. Voor België en Vlaanderen waren deze naar aloude gewoonte zéér onthutsend: België betaalde in 2006 maar liefst 711 miljoen euro méér aan de Europese Unie dan het zélf rechtstreeks terugkreeg. Nochtans bestaat er een foutieve idee-fixe in de Belgische publieke opinie dat ons land (veel) méér zou terugkrijgen van de Europese Unie dan het er zelf insteekt. Vaak wordt dan verwezen naar de gigantische budgetten die Brussel krijgt om zijn taak als Europese hoofdstad met degelijkheid en waardigheid te kunnen uitoefenen. Eurofielen pretenderen dat 15% van het BNP van de stad Brussel rechtstreeks gegenereerd wordt door de EU, maar zij kunnen dat naar aloude Europese gewoonte met niets staven, omdat het uitsluitend gaat om subjectieve en onrechtstreekse inkomsten, die bijgevolg onmeetbaar zijn, en dus statistisch irrelevant. Waarvoor dat EU-geld dan precies gebruikt zou worden, weet ook al niemand. We kunnen de impact van die zogenaamde monstersubsidies toch zéér goed zien in gemeenten als Schaarbeek en Sint-Joost-Ten-Node, of op dagen als 11 september 2007 wanneer de overbetaalde overuitgeruste robocob-flikken voor de ogen van de internationale gemeenschap vreedzame betogers molesteren.

Netto-betaler België gaat Nederland achterna

In 2006 was België in de Europese Unie één van het toenemende aantal netto-betalers, en eigenlijk nog niet eens een kleine netto-betaler. Het netto-saldo voor België bedroeg in 2006 maar liefst 710,9 miljoen euro oftewel 0,23 procent van het Belgische Bruto Nationaal Inkomen (BNI). Procentueel is en blijft Nederland ook in 2006 de grootste netto-betaler, temeer daar andere gezonde - en dus min of meer subsidievrije - economieën zoals het Verenigd Koninkrijk vroeger al een fikse korting op hun bijdragen bedongen hebben en het toenmalige “Europositieve” Nederland niet. Zij zitten nu met de gebakken peren. In Nederland bedroeg de netto-bijdrage in 2006 zelfs 0,47 procent van het BNI. Volgens het Nederlands Libertarisch Centrum kostte het EU-lidmaatschap Nederland tussen 2002 en 2006 maar liefst 20 miljard euro, oftewel 2,800 euro per Nederlands gezin. Zweden (met 0,28 procent) en Duitsland (met 0,27 procent) hebben de twijfelachtige eer om respectievelijk de tweede en derde grootste netto-betaler van de Europese Unie te zijn.

De Belgische netto-bijdrage van 0,23 procent mag vandaag dan al wel zéér hoog lijken, toch was het de afgelopen jaren zelfs nog rampzaliger. Zowel in 2001 als in 2003 ging het uitzonderlijke bedrag van 0,28 procent van het Belgische BNI naar de Europese Unie, en om helemaal kippenvel te krijgen, blijkt uit de cijfers van de Europese Commissie dat de netto-bijdrage van België sinds 2005 jaar na jaar opnieuw aan het stijgen is. België is dus één van die baxters die de corrupte Europese bureaucratie in leven (moeten) houden, of die het voorbijgestreefde landbouwbeleid van Frankrijk en Polen (moeten) financieren.

Dit betekent dat de Belgische belastingbetaler - of laat ons in België eens voor één keer niet aan struisvogelpolitiek doen en de dingen benoemen zoals ze zijn: de Vlaamse belastingbetaler - opdraait voor de verspilzucht van de EU. Alleen de aanwezigheid van de EU-instellingen in Brussel en Luxemburg (met een zéér hoge relatieve welvaart in het Belgisch-Luxemburgse grensgebied rond Aarlen tot gevolg) kan de Belgische bijdragen nog enigszins vergoelijken.

In 2007 trad een nieuw “meerjarenplan” van de Unie in voege, ook al is dat “meerjarenplan” ongetwijfeld veelal een kwestie om de 25,000 ambtenaren van de Europese Commissie toch nog enigszins bezig te kunnen houden, want verder heeft zo’n gigantische Napoleontische administratie geen nut. Op de Europese Raad van december 2005 hebben de vier grootste netto-betalers Nederland, Zweden, Duitsland en Oostenrijk immers bedongen dat ze voor de periode 2007-2014 een korting op hun bijdragen zouden krijgen. Volgens het Planbureau zal die korting voor België een meerkost van 0,11 procent over de ganse periode 2007-2014 betekenen, oftewel nogmaals de Vlaamse belastingbetaler degraderen tot een citroen die uitgeperst mag (en moet) worden om de “gulle” Europese monsterstaat te voeden. Want laat ons eerlijk zijn: gul is ze wel … voor de anderen.

België financiert de Britse korting

Ik moet jullie ook nog ter herinnering brengen dat België daarenboven vorig jaar alleen al (in 2006) meer dan 249 miljoen euro betaalde om de oude Britse korting op hun bijdragen mee te financieren. De Britse korting bedroeg in 2006 maar liefst 5,2 miljard euro. In 2007 zal de Britse korting volgens het meerjarenplan verder oplopen tot 7,1 miljard euro, wat neerkomt op hetzelfde niveau als in 2001.

Nu heb ik persoonlijk niets tegen de Britse korting ansich, het is natuurlijk wel des te pijnlijker te moeten constateren dat hun korting de overige netto-betalers nog meer doet afdragen. Maar laat dit anders eens geen verwijt naar het adres van de Britten zijn, maar eerder een incentive voor onze Eurofiele leiders om eindelijk ook misschien eens hun tanden te laten zien in de Europese Raad in plaats van de EU te verheerlijken en alles wat de Eurocraten zeggen zonder slag of stoot te aanvaarden. Politieke moed is zelfs niet eens het juiste woord voor zo’n ingesteldheid. Gezond verstand is dat wel.

De kans is trouwens groot dat België de volgende jaren verder zal evolueren tot één van de grootste netto-betalers van de ganse Europese Unie, en dit dus ondanks de massale giften van de Unie aan Brussel en de gegenereerde meerwaarde van de EU-aanwezigheid in Luxemburg in de Belgische grensgebieden. Prognoses van o.a. de denktank Open Europe wijzen ook in die richting. Aan dit tempo zou de jaarlijkse Belgische netto-bijdrage aan de Europese Unie tegen het jaar 2015 oplopen tot 0,3% van het totale Belgische BNI.

Volgens de van oorsprong Britse denktank Open Europe - die geheel terecht natuurlijk zijn handen wil afhouden van de huidige Britse voorkeursbehandeling binnen de EU - draagt België ook een onevenredig groot deel van de Thatcher's Rebate. Open Europe stelt dat België 4,7 procent van de Britse korting compenseert, terwijl het Belgische gewicht in het totale Europees BNI slechts 2,8 procent bedraagt. Zweden heeft bvb. een vergelijkbaar gewicht in het totale Europees BNI, maar hoest in tegenstelling tot België slechts 0,8 procent van de Britse korting op.

Omdat de Britse korting op de bijdragen pas vanaf 2009 substantieel begint te dalen (als de Britten de Europese Unie daartegen nog geen vaarwel gezegd hebben natuurlijk), ziet het er naar uit dat België in 2007 en 2008 nog meer dan vroeger aan de Unie zal afdragen. Analisten zijn het erover eens dat de jaren 2007 en 2008 ongetwijfeld recordjaren voor de Belgische EU-bijdragen worden.

Vanaf 2009 rekent iedereen op een daling van de Belgische bijdrage, o.a. omwille van het afbouwen van de Britse korting en omdat het Europees budget dan structureel zou moeten dalen. Natuurlijk kan deze vooropgestelde “structurele daling” (Europraat voor “we beloven veel in de toekomst, maar als puntje bij paaltje komt, herroepen we de ganse boel toch”) achteraf maar een loze belofte blijken, maar dat zijn we van de EUSSR tegenwoordig al wel gewend.

De betalingskredieten, die volgens de Europese Raad en het compromis van december 2005, in 2007 nog 1,06 procent van het Europees BNI mogen bedragen, zullen tegen 2013 tot 0,94 procent teruggebracht moeten worden. De denktank Open Europe verwerpt echter deze voorspellingen en gaat in zijn recentste rapporten uit van een lineaire stijging van de Belgische netto-bijdrage tot zeker nog 2015.

Een nieuw EU-jaar, een nieuwe EU-fraude

Nadat in september traditiegetrouw de cijfers van de EU-bijdragen bekend gemaakt worden door de Europese Commissie, en deze cijfers traditiegetrouw langs alle kanten door (Eurosceptische) analisten aangevallen worden als onnauwkeurig en onvolledig, is het nu naar aloude gewoonte rustig afwachten op het jaarlijkse controlerapport van de Europese Rekenkamer dat meestal ergens in medio november voorgesteld zal worden, waarna het Europees Parlement de jaarrekeningen moet goedkeuren. Maar daar wringt net het schoentje: De Europese Rekenkamer heeft de Europese boekhouding immers al twaalf jaar op rij afgewezen wegens inadequate boekhoudingtechnieken en frauduleus budgetbeheer.

Alles wijst er ook op dat de Rekenkamer de EU-rekeningen ook dit jaar voor de 13de maal zal verwerpen, voor exact dezelfde redenen als de voorbije twaalf jaar. Er is immers in die 13 jaren nog altijd niets veranderd binnen de Eurocratie. De EU weigert bijvoorbeeld nog steeds om een dubbele boekhouding bij te houden, hoewel ze alle bedrijven in Europa dat wel verplicht. Maar laat ons geen illusies maken: het negatief novemberrapport zal de pers tien tegen één zelfs niet eens halen, of verdwijnen in de kort-secties van onze dagbladen. Voor de pers is het nieuwe er immers al af na twaalf afwijzingen. En net zoals de voorbije twaalf jaren zal het Europees Parlement het negatief rapport waarschijnlijk gewoon naast zich neerleggen en de jaarrekeningen, hoe frauduleus en inaccuraat die ook mogen zijn, goedkeuren.

De denktank Open Europe gaat in zijn rapporten uit van een geschatte verspilling van 25% van alle Europese middelen aan interne werking en dito bureaucratie, en aan de frauduleuze uitgaven. En niemand die Open Europe durft tegenspreken, met dank daarvoor trouwens aan net die ontransparante Europese boekhoudingen.

“Better off out”

De conclusie die ik uit dit alles moet trekken, daarenboven nog goed wetende dat ook de Brusselse veiligheidsonkosten voor de EU-instellingen en -bijeenkomsten niet eens in het netto-bedrag van 711 miljoen euro per jaar vervat zitten, is allesbehalve positief. Deze cijfers zouden een “wake-up call” voor de Belgische burgers moeten zijn, maar het Eurocomplot heeft de touwtjes maar al té strak in handen. De burgers weten dit niet, of zijn er niet in geïnteresseerd. En waarom zouden ze ook? Hun mening telt toch niet. De zuurverdiende centen van de Europese belastingbetalers dienen dus eigenlijk al lang niet meer de Europese gedachte, maar uitsluitend nog maar het Europese instituut en het tot elke prijs in stand houden ervan. Net zoals het Verenigd Koninkrijk en Nederland is België dus wel degelijk “better off out”.

Deze bijdrage verscheen ook in Blauwdruk, Het Vrije Volk en The Brussels Journal, alsook op de websites van In Flanders Fields, Free- Europe, het LVSV Leuven, Work For All en de Stichting Meer Vrijheid.

Meer over de Europese Unie op www.europa-nu.nl.

Het ware gelaat van de Belgische democratie

Het is vandaag alweer zes jaar en drie dagen geleden. De brutale aanslagen op New York en Washington van 11 september 2001 hebben de wereld drastisch veranderd. De aanslagen waren vooral een openbaring van de toenemende radicalisering in de moslimwereld. Terwijl de moslim- aanvallen op de USS Cole of de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar-Es-Salaam nog afgedaan konden worden als “toeval”, was dat op 9-11 zeker niet meer het geval. De Verenigde Staten, en het Westen als beschavingsvorm, werden in hun hart geraakt. De symbolen van hun financiële en militaire almacht moesten er aan geloven. De gevolgen daarvan zien we zeven jaar later nog dagelijks op televisie. Twee duizend negen honderd zesennegentig mensen, allemaal intrinsiek onschuldige burgers, kwamen om in deze schanddaad. 2996 vaders, moeders, zonen en dochters verloren er hun leven, en dan heb ik het nog niet eens gehad over de honderden die later (vroegtijdig) overleden zijn door aandoeningen die ze op 9-11 opgelopen hebben.

“De tijd heelt alle wonden” mag dan al wel een veelgebruikte uitdrukking zijn, maar in dit geval zou ze niet volstaan. Net zoals elke oudere Vlaming nog precies weet waar hij was toen John F. Kennedy neergeschoten werd, zal de jongere generatie deze aanslagen blijven heugen, tot in het kleinste detail. En dat is maar goed ook. Elf september is de dag die ons met de neus op de feiten gedrukt heeft en ons getoond heeft dat het Westen niet meer ongenaakbaar is. Als het Westen zich niet aanpast aan deze dreiging, riskeert het zijn wereldwijde dominantie te verliezen. Als we nu niets doen tegen deze toenemende terreurdreiging van moslimfundamentalisten, is het Westen gedoemd om het rijtje verdwenen beschavingen te vervoegen. Het Avondland was dan toch niet het eindpunt van de menselijke evolutie, maar gewoon een verwaarloosbare tussenfase.

Maar dit hoeft niet zo te zijn. Het Westen heeft alle mogelijkheden om nog eeuwenlang het middelpunt van de wereld, het summum der beschaving, te blijven, maar dan moet men doortastend optreden en actie ondernemen. En de tijd voor doortastende actie is nu.


Om de tijd geen vat te laten krijgen op de aanslagen van 9-11 zijn de herdenkingen ook zo belangrijk. Wie het verleden vergeet, is gedoemd het verleden opnieuw te beleven. Wie 9-11 vergeet, en niet reageert in de juiste manier, zal vroeg of laat opnieuw geconfronteerd worden met onmenselijke terreur en bloedige aanslagen tegen het Westen. De Verenigde Staten staan niet alleen in deze strijd, zoals Mark Stein onterecht beweert in zijn boek “America Alone”, want de uitkomst ervan gaat ons allen aan, zowel in Europa als in Noord-Amerika, en zelfs in Australazië. Het Westen is nog niet dood, zoals Pat Buchanan stelt in zijn boek “The Death of the West”, zolang de burgers van het Westen zich nog kunnen herpakken. Fatalisme is niet nodig, waakzaamheid en drastische hervormingen zijn dat wel.


Herdenkingen zijn niet enkel broodnodig voor het constant voeden van het collectieve geheugen van de gemeenschappen in het Westen, maar katalyseren ook het daaruit ontsproten ongenoegen. Herdenkingen zijn het laatste redmiddel voor de bedreigde diersoort, die we het “Westen” noemen, om onze nalatenschap te handhaven en om onze vrijheid te behouden. Daarom is de grootste vijand voor het Westen zelfs niet eens het moslimfundamentalisme zelf, maar de progressieve elites die deze herdenkingen verbieden en afdoen als “racisme”. Zo ook de socialisten in België, die met Brussels burgemeester Freddy Thielemans als scherprechter van dienst zo’n herdenking verboden hebben.

Drie dagen geleden wilden 20,000 burgers van tientallen verschillende landen in Brussel demonstreren en een minuut stilte houden ter herdenking van de aanslagen van 9-11, maar ze mochten het niet van de socialisten. Hoewel deze actie door PS’er Freddy Thielemans verboden was, vond ze toch plaats, maar dan wel in zwaar gehavende vorm. Slechts een 500-tal demonstranten vond de weg naar de Schumanplaza in de Brusselse Europawijk voor de demonstratie, terwijl slechts een 50-tal ook effectief de minuut stilte hielden voor het Europees Parlement. Het gros van de demonstranten was daartegen immers al hardhandig gearresteerd door de massaal aanwezige ordediensten. Het machtsvertoon werd door één van de demonstranten, een Brit, treffend omschreven als “Tienanmen Square, Brussels”. Het verbieden van deze betoging werd in de vorige weken ook al gehekeld door tal van organisaties, gaande van liberalen en libertariërs, over libero-conservatieven en rechts- conservatieven tot rechts-extremisten en neo-nazi’s.

Het betoogverbod en de fascistoïde handhaving ervan door de (Franstalige) Luikse oproerpolitie is een hoofdstad van een Westerse democratie, laat staan van de Europese Unie zelf, onwaardig. Brussel toonde deze week zijn ware gelaat aan de internationale gemeenschap. De politie handelde allesbehalve sereen en schold de demonstranten uit voor “uitschot”, “gangsters” en zelfs “vuile flaminganten”, ook al was het merendeel van de demonstranten afkomstig uit het buitenland, en dus niet eens uit Vlaanderen. De filmpjes van de politieacties gingen de wereld rond. We zien oude-van-dagen gemolesteerd worden door de politie. We zien betogers in de nieren en de teelballen getrapt worden. We zien politici en academici in elkaar geslagen worden door de oproerpolitie. Niet enkel de vrijheid van meningsuiting werd door het Brussels-Belgische bestel totaal miskend, maar ook de burgerlijke vrijheden, en zelfs de politieke rechten van volksvertegenwoordigers.

Er werden maar liefst drie Europarlementsleden, nota bene uit drie verschillende landen, hardhandig aangepakt en gearresteerd, net als Vlaamse parlementsleden en tal van lokale politici. Zelfs de vice-voorzitter van het Vlaams Parlement werd als een ordinaire dief op de grond geslagen en als arrestant afgevoerd. Van de scheiding der machten, één van de grondbeginselen van elke rechtsstaat, of van de daarmee samenhangende parlementaire immuniteit hadden de ordediensten kennelijk nog nooit gehoord. Deze zaak hoort dan ook een juridisch staartje te krijgen, wil België zijn statuut als “westerse democratie” behouden, maar of België dat überhaupt wel wil, weet ik eigenlijk niet.

De Italiaanse staat is furieus over het wangedrag van de Belgische ordediensten en heeft de Belgische regering om excuses en garanties voor de toekomst gevraagd. Mario Borghezio, fractieleider van zijn partij in het Europees Parlement, werd immers zonder meer opgesloten als een boef, terwijl hij als MEP over een zéér uitgebreide parlementaire onschendbaarheid zou moeten genieten, en toch zeker wel in Brussel, waar hij werkzaam is. Karel De Gucht heeft vandaag dan ook zijn officiële excuses aangeboden aan de Italiaanse ambassadeur in Brussel voor het gebeuren. Ook Frankrijk overweegt een klacht omdat één van zijn MEP’s door de ordediensten gearresteerd werd. In België werden tal van klachten neergelegd tegen het brutale politieoptreden, zowel bij het CGKR, het Comité voor Toezicht op de Politiediensten, als bij het parket. Het politiek benoemde Belgische gerecht indachtig, is de kans op een veroordeling van de Brussels-Belgische overheid natuurlijk zéér miniem.

Ook in andere landen reageert men verontwaardigd op de gebeurtenissen in Brussel. Europees Commissaris Franco Frattini, verantwoordelijk voor justitie, vrijheid en veiligheid, is razend over, wat hij noemt, een aanfluiting van de grondbeginselen van alles waarvoor de Europese Unie pretendeert te staan.
The right to demonstrate is one of the corner stones of the freedom of expression. (…) Demonstrations should only be banned when they are violent or glorify Nazism.
De socialistische fractie in de Raad van Europa is het daar natuurlijk niet mee eens. Zij hebben deze week dan ook een persbericht verspreid waarin ze burgemeester Thielemans (niet per toeval ook een socialist) de handen boven het hoofd hielden.
European values are under threat, say the organisers of a protest march under the banner “Against the Islamisation of Europe” which was due to place today in Brussels in spite of the ban by the city Mayor. The fact is that Europe and its values are indeed under threat, but the danger is not coming from Islam. Our common European values are undermined by bigots and radicals, both islamists and islamophobes, who exploit fears and prejudice for their own political objectives.

The self-proclaimed defenders of European values say that the Mayor has violated their rights under the European Convention on Human Rights. The freedom of assembly and the freedom of expression are indeed essential preconditions for democracy, but they should not be regarded as a licence to offend. I will not enter into the discussion about whether the march should have been allowed or not, but I note that the protesters’ reading of the Convention is selective to say the least. It is very important to remember that the freedom of assembly and expression can be restricted to protect the rights and freedoms of others, including the freedom of thought, conscience and religion. This applies to everyone in Europe including the millions of Europeans of Islamic faith, who were the main target of today’s shameful display of bigotry and intolerance.
Dit communiqué gaf aanleiding op de metablog “The Brussels Journal” tot deze terechte opmerking van hoofdredacteur Paul Beliën.
Oh yes, before I forget: The Council of Europe is an organization of 47 European countries which has as its aim to safeguard human rights in Europe.
Ook de Slowaakse oppositieleider Vladimir Palko, die tot 2006 minister van binnenlandse zaken was, verwijt Brussel alles wat men vroeger de communistische dictatuur kon verwijten. Palko schreef een brief naar de Belgische ambassadeur in Bratislava.
Police-force without any reason attacked legally elected politicians in free elections. Until today, I thought that something like this is possible only in Lukashenko’s Belarus, in today’s Europe. (…) I remember it from my own experience, when I participated on so called “candle demonstration” for human rights and religious freedom on March 25th, 1988 in Bratislava. Communist police-force had also ride down a peaceful demonstration by force that time, however, Communist regime fell down next year. (…) Such a policy of Brussels municipal and mayor authority and Belgian police-force we could see on September 11th, is a threat to liberty and therefore, I protest against it. (…) I hope that in future we will not hear about such events anymore and that European Union where we live together will be area of liberty, not a soft-tyranny.
Wat mij, als jonge liberaal, vooral gestoord heeft aan deze totalitaire trukendoos is de gelatenheid waarmee de Vlaamse pers dit bericht heeft. In het middagjournaal was journaliste Goedele Devroy nog zéér kritisch voor het verbod en het politieoptreden, maar ‘s avonds was alles terug aanvaardbaar voor de Vlaamse pers. Het is net deze gelatenheid die de terugkeer van dictatuur in het hart van Europa mede mogelijk gemaakt heeft. Zelfs de Vlaamse liberale partij VLD roerde zich niet in dit debat, tenzij ter ondersteuning van de beslissingen van Freddy Thielemans. Dit is onaanvaardbaar. Een liberale partij hoort op te komen voor de rechten en vrijheden van alle burgers, en dus ook van hen die er een ander wereldbeeld op nahouden. Het opsluiten van parlementsleden mag bon ton zijn in Poetins Rusland, maar zou in een beschaafd West-Europees land toch tot de zéér verre geschiedenis moeten behoren.

Deze week heeft België weer eens het ware gelaat van zijn interpretatie van het concept “democratie” laten zien, en geen kat binnen de gevestigde politieke kaste die dit hekelde. Ik heb me deze week opnieuw geschaamd om Belg en “liberaal” te zijn. De sterkte van een democratie kan immers niet gemeten worden aan de hand van de macht van zijn politie, maar aan de hand van de vrijheid van zijn burgers. Als elf september dit jaar een test was voor de Belgische democratie, dan heeft België in deze test gefaald. Opnieuw.

Deze tribune verscheen tevens in Blauwdruk en op de websites van het LVSV Leuven, Altermedia, Angeltjes en In Flanders Fields.

Meer over deze betoging op www.brusselsjournal.com.

In June 2007, the British newspaper Daily Telegraph already warned for an upcoming financial crisis due to mortgage and real estate problems in the United States. As usual, the indulged Europeans did not respond to this warning in the appropriate way. Immobility has always been the main characteristic of European financial policy and very often, ironically, this attitude proved to be right afterwards. So might have happened as well this time, if we would not have had a bunch of government appointees controlling the ECB board in Frankfort. Today, only two months after the article in the Daily Telegraph, European banks suffer from the announced explosion of the housing bubble and the credit crunch in the United States and stock brokers all around Europe are panicking. The stock markets are going down, and down, and down.

To me, there are only two kinds of economists - those who believe in the market economy, and those who do not. You simply can’t bargain on the free market, not in monetary matters, not in financial transactions, not in all other sorts of trade, interaction, commerce and exchange. So to me, the position of the European Central Bank is crystal clear. By trying to “stabilize” markets through the mass injection of money, the ECB board acknowledged that they simply do not believe in the free market.

But this is not a big surprise to me at all. The ECB is not only a state-run institution, it is also headed by some Jean-Claude Trichet, a statist Frenchman of the worst possible absolutist tradition, who is very eager to please the governments that appointed him, in spite of him back then being accused of corruption and bank fraud. In no single other country on the face of the Earth, a corrupt bureaucrat like Mr. Trichet would have had the slightest chance to become head of a National Bank, but this is the European Union we are talking about. This is the antithesis of transparent and intelligent government. The EU currently embodies everything Europeans ever fought or rebelled against - corruption, cleptocracy, misgovernment, bureaucracy, unaccountability, and yes, even tyranny.

The biggest threat to free markets is the interventionist policy of the European Central Bank. In two days time, they have injected over 150 billion Euros (approximately 205 billion U.S. Dollars) in financial markets throughout Europe. This is not only a disgrace for all those who believe in the free market, but also for everyone who adheres to the basic principles of the Western financial model. Either we believe in the market economy and its inherent capability of resolving to this problem, either we believe in the State’s birthright and its bureaucratic solutions to the credit crunch. The choice we had to make was hence very simple and very traditional. Either we chose for freedom and self-regulation, either we chose for totalitarian state intervention. Once again, the European communist heritage triumphed over the common sense of liberalism.

In the worst case scenario, the ECB injections might further disturb the market and cause even more inflation than it is already causing on an everyday basis just by having the monopoly on the printing of paper backed money. According to Dr. Richard Rahn, chairman of the Center for Global Economic Growth, inflation is inexistent in a real free market economy. The United States, for example, never had inflation of any kind in the hundred year period following the Declaration of Independence, since every bank itself was allowed to print Dollar bills for as long as they could back it with gold or silver themselves. Central banks, like the ECB and the Federal Reserve, were created by governments who erroneously believed that they were better placed to control the issued money than private actors were. They got it wrong back then, and they still get it wrong today. Central banks cause all the inflation due to their monopoly position and the lack of competition. Central banks do not resolve crises. In fact, they cause them.

In the best possible scenario, the ECB money will alter the negative developments on the financial market, but this is only a relative success on the (very) short term, since the real problems - the American real estate and mortgage crises - are in no way affected by this ECB measure. On the middle and long term, the ECB money will not have been sufficient enough to tranquilize the markets for ever. On the long term, the situation will be as bad as it was before, and the European taxpayers will have lost as much as 150 billion Euros of their tax money reserves, just by a decision made by overpaid bureaucrats in a far-away overpriced skyscraper. The ECB bureaucrats are in fact just gambling with the taxpayers’ money and, what really shocks me, they are in no way accountable or responsible for this waste of our money.

Markets are meant to fluctuate and equilibriums are meant to change in a perpetual manner. This government intervention is destroying the very process of market economy by subsidizing the errors and bad investments made by the European banks and financial institutions. This is Colbertism of the very highest scale. And why? Not to "help" the consumers, but simply to "support" the banks. The government is transferring the European money reserves from the ECB to the national treasuries. The "supported" banks are able to continue making profit, and hence to pay more taxes to their national governments. Indirectly, these banks are returning ECB money to the national budget. And this again will undoubtedly lead to further monetary instability and more inflation.

This situation reminds me of the magical words spoken by the liberal French merchant Legendre on a meeting of entrepreneurs in response to the question “What more can the State do for you?” asked by Colbert, advisor to the French absolutist monarch and founder of Colbertism, the statist economy named after him. Legendre replied to this “Laissez-nous faire!”. The concept of stateless economy was born. The most important doctrine in economics ever was launched. So, in brief, the best way the ECB could have dealt with this problem, was to not have done anything.

Deze tekst verscheen ook in The Free State en Blauwdruk, alsook op de websites van Daily Paul, LVSV Leuven en In Flanders Fields.

Meer teksten over economisch libertarisme op www.lvmi-europe.org.

De duivelsverzen van Angela Merkel

Het bureaucratisch vehikel dat we ooit in het leven riepen om de oorlogsmoeheid op het Europees continent te vertalen in economische samenwerking, is vandaag niet langer ongenaakbaar in Europa. Het uniemodel komt steeds meer onder druk te staan. Enkel het legioen van honderdduizenden apparatsjiks houdt nog steeds compromisloos vast aan de Europese monsterstaat. Dat is ook niet meer dan normaal. Hun carrière is onlosmakelijk verbonden met het lot van de Unie. Daarvoor zijn ze tot veel bereid en dulden ze geen tegenspraak, noch van de politici, noch van de verenigde volkeren van Europa zelf. Zij zwaaien de scepters in de ivoren torens tussen Straatsburg en Brussel. Zij garanderen de ingewikkeldheid van de Europese besluitvorming en verwerpen elke vraag naar méér transparantie en duidelijker beleid. Zij zijn, zoals Derk-Jan Eppink het treffend verwoordt in zijn laatste boek, "de Mandarijnen van Europa".

De Europese Unie is de afgelopen jaren immers verworden tot een onwerkbare moloch, tot een planeconomisch instituut dat zich méér en méér begon te moeien met de dagdagelijkse gedragingen en beslommeringen van de Europese burgers zonder aan deze verantwoording schuldig te zijn, zonder hen als “soeverein gezag” te erkennen. De Europese regering wordt niet verkozen, maar is toch verantwoordelijk voor 50% tot 70% van alle Belgisch-Vlaamse wetgeving. Het Europees Parlement wordt opgevuld met weggepromoveerde politici uit de lidstaten of door meningloze opvolgers die het zitje moeten warm houden tot een lokale krijgsheer een binnenlandse nederlaag leidt en uit een nationale regering moet opstappen. Het Europees Parlement heeft daarenboven niet eens bevoegdheden die naam waardig, laat staan dat het de “waakhond” van de uitvoerende macht zou zijn. De Europese Raad moet de “senaat” van Europa voorstellen, maar is gewoon een veredelde grabbelton voor nationale leiders.

In de Raad is het elkaar vertrappelen voor de grootste korting op de bijdragen, voor een groter aandeel in de structuurfondsen, voor méér geld uit de cohesiebudgetten. Zoals 6 december voor de kinderen een hoogdag is, zo is elke bijeenkomst van de Raad een feest voor de Europese leiders. De verlanglijsten worden opgehaald en de Euro-Sinterklaas kan zijn subsidies beginnen uitdelen. Als een bende strandjutters, vrijbuiters, schattenzoekers of struikrovers storten ze zich op de berg Europees geld. Als een bende vliegen op een berg fecaliën storten de Europese “leiders” zich op deze vetpotten. Zelfs de weinige Eurosceptische leiders worden algauw in het systeem meegezogen en verkopen hun overtuiging, hun verkiezingsbeloften en hun ziel voor het slijk der aarde van de Eurocratie. Onze verkozenen buigen voor de Europese Unie, knielen voor de bureaucraten en verheerlijken de instelling die onze democratie uitgehold heeft en dictatuur teruggebracht heeft naar het hart van het Avondland.

De Europese Unie dient geen enkel doel meer dan zichzelf te handhaven. De opinie van de Europese volkeren is niet langer van tel. De Europese belastingbetaler wordt gedegradeerd tot een baxter die koste wat het kost de corrupte bureaucratie in leven moet houden. De EU is niet langer onze Unie. De natte droom van onze Eurofiele leiders kwam tot een orgasme in 1992 wanneer het Verdrag van Maastricht ondertekend werd. De lokroep van een “politieke” Unie bracht de Eurocraten in extase. Nochtans was dit verdrag het begin van het einde. Het Europees project werd niet langer gedragen door de volkeren van Europa. De onbezonnen uitbreiding naar het Oosten was de druppel die de emmer deed overlopen. Het volk had er genoeg van. Het was té lang genegeerd, belogen en bedrogen geweest door de Europositivo’s om de EU nog langer aan zijn borst te koesteren. Vandaag is de EU op sterven na dood. En laat ons eerlijk zijn, wie is daar rouwig om?


Vorige week was het opnieuw carnaval in Brussel. De oud-communiste Angela Merkel, die zich binnen de CDU wist op te werken tot Duits Kanselier, had een boekje laten samenstellen dat bol stond van de arrogante voorstellen en negationistische prietpraat aangaande het afschieten van het eerste ontwerp van het Europees Grondwettelijk Verdrag. Zij wou koste wat het kost een nieuw verdrag, en liefst zonder referenda. Het volk weet toch niet over wat het spreekt. In deze sfeer van pré-dictatoriaal totalitarisme werd het Hervormingsverdrag goedgekeurd, geen Grondwet zogezegd, maar toch.

Merkel negeerde het feit dat twee stichtende volkeren van de EU al tegen een grondwet gestemd hadden, dat het Duitse Hooggerechtshof geoordeeld heeft dat elke EU-Grondwet as such een ongrondwettigheid inhoudt en dat in de laatste Euroverkiezingen meer dan de helft van de Britten voor anti-EU’ers gestemd heeft. Nicolas Sarkozy zag er geen erg in om een expliciete verwijzing naar de vrije markt binnen de EU te schrappen uit de tekst. Tony Blair verraadde het Britse volk en werd koest gehouden met een “opt-out” clausule en een schrapping van de afdwingbaarheid van het Europees Charter van Fundamentele Rechten. De Polen kregen koekjes toegeworpen in de vorm van extra subsidies. De kleine landjes moesten aanwezig zijn en knikken. De Tsjechen, de Bulgaren en de Roemenen moesten zich kalm houden en gingen plat op hun buik voor de dreigende zweepslagen van Europa dat maar niet kan vatten waarom de “nieuwe” lidstaten nog méér Eurosceptische neigingen hebben dan de “oude”. Kennen ze dan géén dankbaarheid? Zijn ze dan niet bereid om vijftien jaar na de val van het IJzeren Gordijn op te gaan in een nieuw bureaucratisch corporatistisch project dat de rechten en vrijheden van de burgers met de voeten treedt? Misschien was Angela Merkel vergeten dat haar kanselier-voorganger Adolf H. net hetzelfde voor ogen had met Oost-Europa als zij vandaag.

Is er eigenlijk wel een verschil tussen het oude Grondwettelijk Verdrag en dit Hervormingsverdrag? De Eurocraten zeggen van wel, de rest denkt van niet. Op het gegeven woord van de Eurocraten afgaan, is nog naïever dan in 1938 halsoverkop naar Munchen reizen en triomfantelijk terugkeren met garanties op vrede. De waarheid gaan we waarschijnlijk nooit vinden in de officiële rapporten van de EU. Gelukkig zijn er onafhankelijke bronnen en denkgroepen werkzaam in de wandelgangen van de Europese instellingen. Eén van die organisaties is Open Europe, een denktank die de EU met een kritische bril bekijkt. Hun analyses zijn dan ook van een onschatbare waarde voor ons. Volgens Open Europe is de impact van de beide teksten op het leven van de Europese burgers identiek. De weinige veranderingen zijn decoratief en tekstueel, maar zeker niet inhoudelijk of structureel. Het enige verschil is dat tal van landen een referendum beloofd hebben over de oude versie, maar nog niemand diezelfde belofte gemaakt heeft over de nieuwe tekst, en waarschijnlijk maar weinigen de politieke moed zullen hebben om dat alsnog te doen. De burgers zijn volledig buitenspel gezet. En niemand die revolteerde. De barricaden bleven onbemand. Het forum bleef leeg.

Ik heb een hekel aan gelijk hebben. Ik haat het u te moeten zeggen: “zie je wel, ik heb het jullie toch gezegd”, maar vandaag kan ik niet anders. I told you so! Ik heb de afgelopen maanden continu voorspeld dat de Europese leiders de Grondwet zouden doen herrijzen, al dan niet onder een andere naam, maar wel met precies dezelfde inhoud, enkele minimalistische en cosmetische amenderingen niet te na gesproken dan. Onze laatste hoop lag in de handen van de Polen die om de verkeerde redenen wel de juiste houding aannamen, maar ook de Poolse tweeling capituleerde. De bulldozer van Nigel Farage en de kartonnen borden van Ashley Mote, twee protestacties waaraan tal van MEP’s deelnamen, waren een pijnlijke openbaring voor de EU. Het democratisch deficit was nog nooit zo duidelijk aanwezig geweest. Parlementsleden werden niet betrokken in de totstandkoming van de verdragtekst. Zij werden gemuilkorfd door de Eurocraten. Zelfs hun acties werden verboden.

Dit gaf aanleiding tot een scherp commentaarstuk van Daniel Hannan in The Daily Telegraph onder de alleszeggende titel "The EU: designed to be undemocratic". De Europese Unie is ontworpen om ondemocratisch, corrupt en ontransparant te zijn, en de EU is gedoemd om ondemocratisch, corrupt en ontransparant te blijven.
The EU is undemocratic, not by oversight, but because it was designed that way. The patriarchs of federalism - Monnet, Schuman, de Gasperi and the rest - understood that their scheme to merge the ancient kingdoms and republics of Europe would never come off if each successive transfer of power to Brussels had to be approved by the national electorates. That is why they designed a structure which vests supreme power with unelected civil servants. And that is why, in Brussels, the worst of all crimes is “populism” - which, when you think about it, is another word for “democracy”: the readiness of elected representatives to do what their constituents want.

The worst of it is the way national governments pick up bad habits from the EU. Although the 27 member states are all parliamentary democracies, their leaders are learning in Brussels to disdain their electorates. This was neatly encapsulated in one of Blair’s final interviews as PM, in which, adapting Friedrich Engels’ theory of “false consciousness”, he told The Guardian: “The British people are sensible enough to know that, even if they have a certain prejudice about Europe, they don’t expect their government necessarily to share it or act upon it.” Got that? We don’t want our ministers to do what we say. We want them to second-guess our true interests. This is the single most objectionable aspect of the European project: the way it vitiates democracy, not just within its own institutions, but in its member nations, too. The 27 national leaders have given up on their electorates. As the Secretary of the East German Writers’ Union put it following the 1953 anti-Communist riots: “The people have forfeited the confidence of the government”.

If you think I’m going too far, let me point out that, in every member state, by majorities of between 65 and 85 per cent, voters want a referendum on the outcome of Friday’s talks. According to a poll in the Evening Standard last week, the figure has now risen to 86 per cent in the United Kingdom. Let me remind you, too, that 98.8 per cent of British MPs (all but 8) were elected, either on a platform of outright opposition to the constitution, or on the basis of a manifesto promise of a referendum. If they keep their pledge, and if people vote for the constitution, I’ll accept the results with as much good grace as I can muster and withdraw quietly from politics. But if they won’t let us vote, their whole wretched project will be illegitimate.
Daniel Hannan, Nigel Farage, Ashley Mote en consorten werd “populisme” verweten, omdat zij tegen de schenen van de bureaucraten durfden schoppen, omdat zij de wil van de burgers bleven verdedigen en zich niet lieten inpakken door het Grote Gelijk van de etatisten. Zij konden niet gepaaid worden. Daarvoor verdienen ze ons ongebreideld respect en onze onvoorwaardelijke steun. De strijd is immers nog niet gestreden, want zij zijn er nog. De Grondwet is er nog niet, want zij zijn er nog. De monsterstaat is nog geen onomkeerbare werkelijkheid, want zij zijn er nog. Het volk is nog niet helemaal vertrappeld, want zij zijn er nog. Zij zijn vandaag, tot scha en schande van iedereen die zijn kazak gedraaid heeft, de allerlaatste verdedigingslinie van het vrije Europa geworden. Zij bewaken onze tradities, onze nalatenschap en onze vrijheid. Zij houden stand. Zij zijn de hoeders van het Avondland.

Deze tribune verscheen tevens in The Free State en Blauwdruk, alsook op de websites van het LVSV Leuven, In Flanders Fields, Nova Civitas, Nova Libertas, Free Europe en de Jong VLD Berchem.

Meer liberale teksten op www.novacivitas.org.

Het cordon médiatique

In de Middeleeuwen werd Europa gedurende eeuwen geplaagd door een lang aanslepende epidemie die men de Pest noemde. Europa verloor in honderd jaar tijd maar liefst één derde van zijn totale bevolking. De mens trachtte 101 middeltjes en maatregels uit om deze ziekte in te dijken en nieuwe epidemieën te voorkomen. Eén van deze vergeefse pogingen om de Zwarte Dood buiten de steden te houden, was het creëren van “kolonies” buiten de steden, een soort van “concentratiekampen” waarheen de pestleiders gezamenlijk verbannen werden. Zo werd de kans op verdere besmetting drastisch teruggedrongen. Al gauw volstonden deze pestkolonies niet langer om alle slachtoffers op te vangen en werden ganse steden waar de Plaag uitbrak van de buitenwereld geïsoleerd. Niemand mocht die steden nog verlaten of betreden. De schutkring die rond deze steden gelegd werd, kreeg de welklinkende naam “cordon sanitaire”.

Nadat in Vlaanderen in de jaren 1990 een nieuwe “plaag” de kop opstak, althans volgens de linkse intellectuelen die het fenomeen niet konden vatten, werd onder impuls van deze groene egalitaire wereldverbeteraars teruggegrepen naar de Middeleeuwse trukendoos. Rond de plaag van extreem-rechts werd opnieuw een “cordon sanitaire” opgetrokken, maar net zoals in de Middeleeuwen bleek deze schutkring een maat voor niets en viel één derde van de bevolking toch ten prooi aan de epidemie. Het VB behaalde op zijn hoogtepunt in het Antwerpse 35% van de stemmen.

Vandaag gaan er steeds meer stemmen op in Vlaanderen om deze contraproductieve constructie op te doeken. Lijst Dedecker en N-VA zijn daar zéér duidelijk in. Ook binnen CD&V en VLD zijn er tal van tegenstanders van het cordon, maar zij worden door de partijtop monddood gemaakt of na gecontesteerde voorzittersverkiezingen de laan uitgestuurd. Het enige element van het cordon waaraan nauwelijks aandacht gehecht wordt, het “cordon médiatique”, blijft echter bestaan, en dan nog in een ongezien verregaande vorm. De “big three” krijgen alle media-aandacht van de openbare omroep, de met belastinggeld gefinancierde mediareus die in Vlaanderen een feitelijk monopolie verworven heeft op de politieke berichtgeving en duiding, terwijl de andere partijen niet aan bod komen. De jongste kritiek van Lijst Dedecker en het VB is dan ook terecht. Dedecker verpulverde alle prognoses en stak GROEN! voorbij, terwijl die laatste wel zéér veel aan bod kwam in de campagne en Dedecker niet. Het VB werd steevast geweerd uit de debatten, terwijl het in 2004 nochtans de grootste partij van Vlaanderen was geworden. NEE kreeg zéér veel aandacht in de media, maar moest toch het onderspit delven. Andere mini-partijen à la STIJN, CAP en PVDA scoorden evengoed of beter dan NEE in de laatste verkiezingen, ondanks de schijnbaar onontbeerlijke media-aandacht.

Er was een tijd waarin de zendtijd op de openbare omroep als het ware met een apothekerschaaltje afgewogen werd tussen alle Vlaamse partijen, maar die tijd lijkt al zéér ver achter ons te liggen. Het grootste slachtoffer van deze scheeftrekking van het gepolitiseerde debat, is natuurlijk het Vlaams Belang, voorheen Vlaams Blok, dat zijn kwartaandeel in Vlaanderen niet verzilverd ziet worden in een prominente aanwezigheid in programma’s op de openbare omroep. Men kan gerust van een “cordon médiatique” spreken.

Jan Van De Casteele wijdde in het jongste nummer van Doorbraak een artikel onder de titel "Openbare omroep: Siberische democratie" aan deze situatie. Tussen november 2006 en april 2007 werden de informatieprogramma’s van de VRT geanalyseerd en onderzocht. Het gaat om 149 Journaals, 33 afleveringen van De Zevende Dag, 36 avonden Morgen Beter en 114 keer TerZake. Omdat de toekomst van Lijst Dedecker in deze periode nog onzeker was, werd die partij niet in het onderzoek opgenomen, net als de kleine kartelpartners. De studie omvat dus enkel de VLD, de CD&V, de SP.a, het VB en GROEN. De resultaten waren ontluisterend. Woorden schieten eizona tekort.

In het Journaal kwam CD&V 105 keer aan bod, terwijl de regeringspartijen VLD en SP.a het respectievelijk met 103 en 98 optredens moesten doen. De andere oppositiepartijen VB (27 keer) en GROEN (23 keer) kwamen nauwelijks aan bod. In De Zevende Dag mocht SP.a het meeste opdraven. Diens 19 aanwezigheden overtreffen zowel de regeringspartner VLD (13) als oppositiepartij CD&V (16). Het VB komt er met 5 optredens zéér bekaaid vanaf, net als de 3 aanwezigheden van GROEN. In Morgen Beter is de scheeftrekking nog duidelijker aanwezig. CD&V mocht maar liefst 20 keer zijn visie op de actualiteit geven. Zij gaan SP.a en VLD vooraf, met elk 15 uitnodigingen. GROEN mocht drie keer opdraven en het VB maar twee keer. Ook in TerZake zet dezelfde trend zich door: 31 optredens van VLD, 28 van SP.a en 25 van CD&V, tegenover ocharme drie aanwezigheden van het VB en 2 van GROEN. Het totaalbeeld uit deze studie laat ook geen twijfel bestaan. CD&V komt er het beste uit met 166 verschijningen, gevolgd door VLD met 162 aanwezigheden en SP.a met 160 optredens. Het VB doet het met amper 37 uitnodigingen nog net beter dan de mini-partij GROEN die het met 31 televisie-optredens moet stellen.

Ik heb het hier dan nog niet eens gehad over het "infotainment" op de openbare omroep. In amusementsprogramma’s à la De Slimste Mens, De Laatste Show en Dikke Vrienden komt het VB helemaal niet aan bod. Daar kiest men resoluut voor het "schoon volk" uit liberale en socialistische hoek. Ook CD&V en GROEN worden uit deze programma’s geweerd. Dit blijkt uit twee onderzoeken (VRT speelt een paars spel en VRT, van rode naar paarse burcht) van de Vlaamse Volksbeweging.

Ik ben als libertariër natuurlijk maar een koele minnaar van de openbare omroep as such, maar dat neemt niet weg dat een minimum aan intellectuele eerlijkheid toch wel geëist mag worden van dit overheidsbedrijf. Als 25% van de belastingbetalers voor één partij kiezen, moet men die partij, of men het nu al dan niet eens is met de standpunten ervan, een forum geven dat minstens die 25% benadert. Natuurlijk is de journalistieke vrijheid voor mij absoluut, maar dan wel enkel in een private context. Bij een openbare omroep zijn de belastingbetalers in wezen de aandeelhouders. 25% van de aandelen behoren volgens deze redenering toe aan het VB dat daarmee de hoofdaandeelhouder is van de openbare omroep. Kan iemand mij eens één bedrijf noemen waar de hoofdaandeelhouder volledig buiten spel gezet wordt? Het “cordon médiatique” is een aanfluiting voor de miljoenen Vlaamse kiezers die het VB genegen zijn en een regelrechte schande in een westerse democratie die naam waardig.

Dit opiniestuk verscheen op de websites van VRTWatch, In Flanders Fields, het LVSV en het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen.

Meer Vlaamsgezinde teksten op www.politiek-incorrect.com.

Waarom ik geen conservatief ben

In tijden waarin de meeste progressief geachte bewegingen steeds verdere inbreuken op de persoonlijke vrijheid bepleiten, is het heel waarschijnlijk dat degenen die de vrijheid in het hart bewaren hun energie verbruiken in de oppositie. Hier vinden zij zichzelf aanzienlijke tijd aan dezelfde kant als dezen die gewoonlijk weerstand bieden aan verandering. In termen van de actuele politiek vandaag hebben ze in het algemeen geen andere keuze dan de conservatieve partijen te steunen. Maar, hoewel het liberale standpunt dat ik heb proberen te definiëren als ‘conservatief’ wordt omschreven, is ze heel verschillend van deze waaraan deze benaming traditioneel gegeven wordt. Er zit een gevaar in de verwarde omstandigheden die de verdedigers van vrijheid en de ware conservatieven samenbrengen in gemeenschappelijke oppositie tegen ontwikkelingen die hun idealen beide bedreigen. Daarom is het belangrijk om helder onderscheid te maken tussen het standpunt dat ik hier inneem en datgene dat al lang als conservatisme bekendstaat.

Conservatisme is in se een legitieme, waarschijnlijk noodzakelijke, en zeker wijdverspreide houding van oppositie tegen drastische verandering. Het heeft, sinds de Franse Revolutie, gedurende anderhalve eeuw een belangrijke rol gespeeld in de Europese politiek. Tot aan de opkomst van het socialisme was het de opponent van liberalisme. In de geschiedenis van de Verenigde Staten vinden we niets gelijkaardigs, omdat wat in Europa liberalisme werd genoemd, de gewone traditie is waar de Amerikaanse politiek op gebouwd is. Zodoende was de verdediger van de Amerikaanse traditie een liberaal in de Europese zin. Deze reeds bestaande verwarring werd nog verergerd door de recente poging om het Europese conservatisme te transplanteren naar Amerika, wat, onbekend aan de Amerikaanse traditie, een ietwat eigenaardige bedoening is geworden. En enige tijd hiervoor, begonnen Amerikaanse radicalen en socialisten zich ‘liberalen’ te noemen. Ik zal desalniettemin doorgaan met het standpunt dat ik inneem voor dit moment te omschrijven als liberaal, waarvan ik geloof dat ze evenveel verschilt van het ware conservatisme als van het socialisme. Laat mij er meteen bijzeggen echter, dat ik dat doe met stijgende bezorgdheid, en ik zal er later over moeten nadenken wat dan wèl een geschikte benaming zou kunnen zijn voor de partij van de vrijheid. De reden hiervoor is niet alleen dat tegenwoordig de term ‘liberaal’ in de Verenigde Staten oorzaak is van voortdurende misverstanden, maar ook dat in Europa het overheersende type rationalistisch liberalisme er lang een geweest is van de gangmakers van het socialisme.

Laat me nu stellen wat voor mij een doorslaggevend bezwaar is tegen elk conservatisme dat verdient zo genoemd te worden, namelijk dat het vanuit haar eigenste natuur geen alternatief kan bieden voor de richting waarin we gaan. Het kan erin slagen, door haar weerstand tegen huidige tendensen, om ongewenste ontwikkelingen te vertragen, maar, omdat het geen andere richting aanwijst, kan het deze uiteindelijk niet tegenhouden. Om deze reden is het onveranderlijke lot van het conservatisme altijd geweest om tegen haar zin meegesleept te worden op een Progressieve koers. Het getouwtrek tussen conservatieven en Progressieven kan alleen de snelheid, en niet de richting, beïnvloeden van eigentijdse ontwikkelingen. Maar, hoewel de noodzaak bestaat voor een ‘rem op het vehikel van vooruitgang’, kan ik persoonlijk geen genoegen nemen met eenvoudig helpen remmen. Wat de liberalen op de eerste plaats in vraag moeten stellen, is niet hoe snel of hoe ver we moeten gaan, maar waar naartoe. In feite verschilt de liberaal veel meer van de collectivistische radicaal van vandaag dan de conservatief. Waar deze laatste in het algemeen houdt aan nauwelijks meer dan een milde en gematigde versie van de vooroordelen van zijn tijd, moet de liberaal vandaag op positieve wijze ingaan tegen enkele van de fundamentele concepten die de conservatieven delen met de socialisten.

Het beeld dat meestal wordt gegeven van de relatieve positie van de drie partijen doet meer om hun ware relaties te verhullen dan te verhelderen. Zij worden gewoonlijk voorgesteld als verschillende posities op een lijn, met de socialisten aan de linkerkant, de conservatieven aan de rechterkant en de liberalen ergens in het midden. Niets kan meer misleidend zijn. Als we een diagram willen, is het beter om ze in een driehoek te rangschikken met de conservatieven in de ene hoek, de socialisten trekkend naar de tweede en de liberalen naar de derde hoek. Maar, omdat de socialisten lange tijd in staat zijn geweest om harder te trekken, zijn de conservatieven eerder geneigd om de socialistische richting te volgen dan de liberale, en hebben ze op gezette tijden in het verleden een aantal ideeën, die door radicaal propaganda respectabel zijn geworden, geadopteerd. Als voorstanders van de Gulden Middenweg, zonder eigen doel, hebben conservatieven zich steeds laten leiden door het geloof dat de waarheid ergens tussen beide extremen moet liggen – met als resultaat dat ze hun positie veranderden telkens er een extremere beweging verscheen aan de een of andere kant.

Het standpunt dat op een willekeurig tijdstip met recht kan omschreven worden als conservatief hangt daarom af van de richting van de bestaande tendensen. Aangezien de ontwikkelingen gedurende de laatste decennia in het algemeen hebben plaatsgevonden in een socialistische richting, kan het lijken dat zowel conservatieven als liberalen in hoofdzaak gericht zijn geweest op het vertragen van deze beweging. Maar het belangrijkste punt betreffende het liberalisme is dat het ergens anders naartoe wil, en niet van stil te staan. Hoewel vandaag wellicht soms de tegenovergestelde indruk gewekt wordt, doordat er een tijd was waarin liberalisme meer algemeen geaccepteerd was en sommige van haar doelen dicht bij de verwezenlijking kwamen, is het nooit een achteromkijkende doctrine geweest. Er is nooit een tijd geweest waarin liberale ideeën volledig gerealiseerd waren en waarin het liberalisme niet vooruitkeek naar verdere verbetering van de gewoontes. Liberalisme heeft geen aversie van evolutie en verandering, en overal waar spontane verandering versmacht werd door overheidscontrole, staat het een massale verandering van de politiek voor.

Voorzover veel van de tegenwoordige overheidsactiviteiten beschouwd, is er in de wereld van vandaag weinig reden voor de liberaal om de dingen te willen behouden zoals ze nu zijn. Inderdaad, eerder lijkt het voor de liberaal dat wat het dringendst nodig is in de meeste plaatsen op de wereld, een grondig wegdraaien van de obstakels van vrije groei is. Dit verschil tussen liberalisme en conservatisme mag niet verward worden met het feit dat het in de Verenigde Staten nog steeds mogelijk is om individuele vrijheid te verdedigen door lang gevestigde gewoonten te verdedigen. Voor de liberaal zijn deze waardevol, niet in hoofdzaak omdat ze sinds lang gevestigd zijn of omdat ze Amerikaans zijn, maar omdat ze corresponderen met de idealen die hij koestert.

Voordat ik de belangrijkste punten beschouw waarin de liberale houding scherp tegenover de conservatieve staat, wil ik benadrukken dat de Liberaal wellicht veel, en ten voordele, heeft kunnen leren van het werk van sommige conservatieve denkers. Sommige diepgaande inzichten, die ware bijdragen zijn aan ons begrip van een vrije maatschappij, hebben we te danken aan hun genegen en respectvolle studie van de waarde van spontaan gegroeide gebruiken (tenminste buiten het veld van de economie). Hoe reactionair in hun politieke opvattingen figuren als Coleridge, Bonald, De Maistre, Justus Möser, of Donoso Cortès ook mogen geweest zijn, zij gaven ook blijk van doorzicht in de betekenis van spontaan gegroeide gebruiken zoals taal, wet, moraal en conventies die voorafgingen aan moderne wetenschappelijke benaderingen, en waarvan de liberalen wellicht hebben kunnen profiteren. Maar de bewondering van de conservatieven voor spontane groei heeft meestal enkel betrekking op het verleden. Zij vertonen een typisch tekort aan moed om dezelfde soort ongeplande verandering te verwelkomen waaruit nieuwe instrumenten voor het menselijke avontuur kunnen opduiken.

Dit brengt me tot het eerste punt waarop de conservatieve en liberale opvattingen radicaal verschillen. Zoals dikwijls erkend door conservatieve schrijvers, is één van de fundamentele trekjes van de conservatieve houding de angst voor verandering, een terughoudend wantrouwen van het nieuwe an sich, terwijl het liberale standpunt gebaseerd is op moed en vertrouwen, op een bereidheid om verandering haar loop te laten nemen, zelfs als we niet kunnen voorspellen waar ze toe zal leiden. Er zou niet veel tegen in te brengen zijn indien de conservatieven enkel niet zouden houden van een te snelle verandering van gewoonten, gebruiken en openbare orde. Hier is de roep om voorzichtigheid en geleidelijkheid inderdaad sterk. Maar de conservatieven zijn geneigd om de macht van de overheid te gebruiken om verandering te verhinderen of tot op zekere hoogte haar snelheid te beperken tot wat aanvaardbaar is voor de meer terughoudende geest. Vooruitblikkend in de toekomst ontbreekt het hen aan geloof in spontane aanpassingskrachten die de liberaal verandering doen aanvaarden zonder angst, zelfs als hij niet weet hoe de noodzakelijke aanpassingen zich zullen aandienen. Het is, inderdaad, onderdeel van de liberale houding om aan te nemen dat, in het bijzonder op economisch vlak, de zelfregulerende krachten van de vrije markt op één of andere manier voor de vereiste aanpassingen aan de nieuwe omstandigheden zullen zorgen, hoewel niemand kan voorspellen hoe zij dit zullen doen in een bepaald geval. Er is misschien geen andere factor die zoveel bijdraagt aan de frequente tegenzin van mensen om de vrije markt te laten werken als hun onvermogen om te bevatten hoe het noodzakelijke evenwicht tussen vraag en aanbod, tussen export en import, of hun equivalenten, tot stand zullen komen zonder geplande controle. De conservatief voelt zich veilig en tevreden enkel en alleen als hij er zeker van is dat één of andere hogere wijsheid waakt over verandering en er toezicht op houdt, alleen als hij weet dat één of andere autoriteit is belast met het ‘ordelijk’ laten verlopen van de verandering.

Deze angst om ongecontroleerde sociale krachten te vertrouwen is nauw verwant met twee andere karakteristieken van conservatisme: haar gesteldheid op gezag en haar gebrek aan inzicht in economische krachten. Aangezien het zowel abstracte theorieën als algemene principes wantrouwt, begrijpt het noch de spontane krachten waar een beleid van vrijheid zich op baseert, noch bezit zij een basis om beleidsprincipes op te formuleren.

Orde doet zich voor aan de conservatief als het resultaat van voortdurende aandacht vanwege gezag, dat, met dit doel voor ogen, moet toegestaan worden te doen wat nodig is gezien de omstandigheden, en niet gebonden hoort te zijn aan strikte regels. Een toewijding aan principes vooronderstelt het begrijpen van de algemene krachten door de welke de inspanningen van de maatschappij worden gecoördineerd, maar het is zulke maatschappelijke theorie en in het bijzonder van de economische mechanismen die het conservatisme opvallend ontbreekt. Zo onproductief is het conservatisme geweest in het voortbrengen van een algemeen begrip van hoe een sociale orde wordt gehandhaafd dat haar moderne aanhangers, in een poging om een theoretische fundering te produceren, zich onveranderlijk en bijna uitsluitend beroepen op auteurs die zichzelf als liberaal beschouwden. Macauley, Tocqueville, Lord Acton, and Lecky beschouwden zichzelf zeker als liberaal, en met recht, en zelfs Edmund Burke bleef tot het einde toe een Old Whig en zou hebben gehuiverd bij het idee dat hij als een Tory zou beschouwd worden.

Laat me echter terugkeren naar ons hoofdpunt, de karakteristieke onbekommerdheid van de conservatief ten aanzien van acties van het gevestigde gezag en zijn voornaamste bezorgdheid dat dit gezag niet mag verzwakt worden eerder dan dat haar macht binnen bepaalde grenzen moet gehouden worden. Dit valt moeilijk te verzoenen met de bescherming van vrijheid. In het algemeen kan waarschijnlijk gezegd worden dat de conservatief geen bezwaar heeft tegen uitoefening van willekeurige macht zo lang deze wordt gebruikt voor wat hijzelf beschouwt als de juiste doelen. Hij gelooft dat, als de regering in handen is van fatsoenlijke mensen, zij niet te veel hoort beperkt te worden door rigide regels. Aangezien hij in essentie een opportunist zonder principes is, stelt hij zijn hoop erop dat de wijzen en de goeden zullen regeren – niet enkel door voorbeeld, zoals we allen mogen hopen, maar door het gezag dat hen gegeven en door hen uitgeoefend wordt. Zoals de socialist, is hij minder begaan met het probleem hoe de macht van de regering beperkt zou moeten worden dan met wie er regeert en, zoals de socialist, beschouwt hij het als zijn recht om zijn waarden aan anderen op te leggen.

Wanneer ik zeg dat de conservatief geen principes heeft, is het niet mijn bedoeling te suggereren dat hij geen morele overtuiging zou hebben. De typische conservatief is inderdaad gewoonlijk iemand met zeer sterke morele overtuigingen. Wat ik bedoel is dat hij geen politieke principes heeft die hem in staat stellen om samen met mensen wier morele waarden van de zijne verschillen, te werken aan een politieke orde waarbinnen beiden naar hun overtuigingen kunnen leven. Het is het erkennen van zulke principes dat het naast elkaar bestaan van verschillende waardensystemen toelaat en het mogelijk maakt om een vreedzame maatschappij te bouwen met een minimum aan dwang. De aanvaarding van zulke principes betekent dat we akkoord gaan om veel dingen waar we een afkeer van hebben te tolereren.

Veel conservatieve waarden spreken mij meer aan dan socialistische, doch voor een liberaal is het belang dat hij persoonlijk hecht aan specifieke maatschappelijke doelen geen voldoende rechtvaardiging om anderen te dwingen deze te dienen. Ik twijfel er niet aan dat sommige van mijn conservatieve vrienden geschokt zullen zijn door wat zij zullen beschouwen als’“toegevingen’ aan moderne opinies die ik gedaan heb in deel 3 van dit boek. Maar, hoewel ik wellicht even afkerig ben van bepaalde beschouwde maatregelen als zijzelf en er wellicht ook niet mee zou instemmen, heb ik geen weet van algemene principes waaraan ik kan refereren om andersdenkenden ervan te overtuigen dat deze maatregelen niet toelaatbaar zijn in de algemene soort maatschappij die we beiden willen. Succesvol leven en werken met anderen vereist meer dan vertrouwen in elkaars concrete doelen. Het vereist een intellectuele toewijding aan een soort orde waarin het voor anderen geoorloofd is, zelfs als het gaat om 'fundamentele' standpunten, om andere doelen na te streven.

Het is om deze reden dat voor de liberaal morele noch religieuze idealen als afdwingbaar gelden, terwijl zowel conservatieven als socialisten zulke grenzen niet erkennen. Soms denk ik dat het meest opvallende attribuut van het liberalisme, dat het evenveel van conservatisme als van socialisme onderscheidt, het inzicht is dat morele overtuigingen betreffende gedragskwesties die niet onmiddellijk van invloed zijn op de beschermde sfeer van anderen geen dwang rechtvaardigen. Dit verklaart wellicht ook waarom het zoveel makkelijker lijkt voor de berouwvolle socialist om nieuw spiritueel onderdak te vinden in de conservatieve kudde dan in de Liberale. In laatste instantie berust het conservatieve standpunt op het geloof dat in om het even welke maatschappij er herkenbaar superieure personen bestaan wiens overgeërfde waarden, normen en positie horen beschermd te worden en die een grotere invloed horen te hebben op publieke aangelegenheden dan anderen.

De liberaal, uiteraard, ontkent niet dat er wat superieure mensen bestaan - hij is geen egalitarist - maar erkent niet dat wie dan ook het gezag heeft om te bepalen wie deze superieure mensen zijn. Terwijl de conservatief geneigd is om een bepaalde gevestigde hiërarchie te beschermen en verlangt van de autoriteiten dat ze de status beschermt van diegenen die hij van waarde acht, vindt de Liberaal dat respect voor gevestigde waarden niet kan rechtvaardigen dat men zijn toevlucht neemt tot het toekennen van privileges, monopolies of welke dwingende maatregel van staatswege dan ook om zulke mensen onderdak te bieden voor de krachten van economische verandering. Hoewel hij zich volledig bewust is van de belangrijke rol die culturele en intellectuele elites gespeeld hebben in de evolutie van onze beschaving, gelooft hij ook dat deze elites zichzelf moeten bewijzen door hun vermogen om hun positie te behouden onder dezelfde regels die van toepassing zijn op alle anderen.

Nauw verbonden hiermee is de gebruikelijke houding van de conservatief tegenover de democratie. Ik heb eerder duidelijk gemaakt dat ik het principe van de meerderheid beslist niet als een doel beschouw maar hoogstens als een middel, of misschien als het minste kwaad van alle regeringsvormen waaruit we moeten kiezen. Maar ik geloof dat de conservatieven zichzelf voor de gek houden wanneer ze de democratie de schuld van alle kwaad geven. Het grootste kwaad is de onbeperkte macht van de overheid, en niemand is in staat om met onbeperkte macht te gaan. De macht die de moderne democratie bezit zou nog onaanvaardbaarder zijn in handen van een kleine elite.

Toegegeven, pas toen de macht in handen van de meerderheid kwam achtte men verdere beperkingen van de macht van de overheid overbodig. In deze zin zijn democratie en een onbeperkte overheid met elkaar verbonden. Het is echter niet democratie, maar onbeperkte overheidsmacht die bezwaarlijk is, en ik zie niet in waarom het volk niet zou leren om de bevoegdheden van het democratisch beslissingsproces te beperken in dezelfde zin als die van gelijk welke andere vorm van overheid. Alleszins lijken de voordelen van de democratie als methode van vreedzame verandering en van politieke opvoeding zo groot te zijn vergeleken met deze van gelijk welk ander systeem dat ik geen sympathie kan hebben voor de antidemocratische tendens van het conservatisme. Het is niet wie er regeert maar waartoe de regering bevoegd is dat mij het essentiële probleem lijkt.

Dat de conservatieve oppositie ten aanzien van teveel overheidscontrole geen principiële kwestie is maar eerder te maken heeft met de precieze bedoelingen van de overheid wordt duidelijk geïllustreerd op het economische vlak. Conservatieven zijn het gewoonlijk niet eens met collectivistische en directivistische maatregelen op industrieel vlak, en hier vinden liberalen dikwijls bondgenoten in hen. Maar tezelfdertijd zijn conservatieven gewoonlijk protectionistisch en hebben zij dikwijls socialistische maatregelen gesteund in de landbouw. Inderdaad, hoewel de beperkingen die vandaag bestaan in de industrie en handel hoofdzakelijk het resultaat zijn van socialistische inzichten, werden de even belangrijke beperkingen in de landbouw gewoonlijk geïntroduceerd door conservatieven, zelfs op eerdere tijdstippen. En in hun inspanningen om het vrije ondernemerschap in diskrediet te brengen hebben vele conservatieve leiders gewedijverd met de socialisten.

Ik had reeds gerefereerd naar de verschillen tussen conservatisme en Liberalisme op puur intellectueel vlak, maar ik moet hiernaar terugkeren omdat de karakteristieke conservatieve houding hier niet enkel een ernstige zwakheid van het conservatisme is maar er tevens naar neigt om iedere zaak die zich met hen lieert eveneens te schaden. Conservatieven voelen instinctief aan dat het met name nieuwe ideeën zijn, meer dan iets anders, die verandering veroorzaken. Maar, juist vanuit haar karakteristieke standpunt, vreest het conservatisme nieuwe ideeën omdat het geen eigen andere principes heeft om er tegenin te gaan, en, door haar wantrouwen van theorie en haar gebrek aan verbeelding betreffende alles behalve datgene dat de ervaring reeds bewezen heeft, berooft het zichzelf van de benodigde wapens in de strijd om de ideeën.

Anders dan het liberalisme, met haar fundamenteel geloof in de kracht van ideeën op lange termijn, houdt het conservatisme zich aan de verzameling tot dan toe overgeleverde ideeën. En omdat het niet echt gelooft in de kracht van overleg, is haar laatste toevlucht in het algemeen een aanspraak op superieure wijsheid, gebaseerd op een soort zelfaangemeten waan van superioriteit. Het verschil wordt het duidelijkst in de verschillende houdingen van de twee tradities tegenover de vooruitgang van kennis. Hoewel de liberaal zeker niet alle verandering als vooruitgang beschouwt, beschouwt hij de vooruitgang van kennis als een van de hoofddoelen van de menselijke inspanningen en verwacht er de geleidelijke oplossing van problemen en moeilijkheden van die we ooit mogen hopen te kunnen oplossen. Zonder het nieuwe te prefereren louter omdat het nieuw is, is de liberaal zich ervan bewust dat het deel uitmaakt van de essentie van het mens zijn om vernieuwing voort te brengen, en is hij bereid om nieuwe kennis te aanvaarden, of hij nu blij is met de gevolgen of niet.

Persoonlijk vind ik dat het meest bezwaarlijke element van de conservatieve houding haar neiging is om welonderbouwde nieuwe kennis te verwerpen omdat ze een afkeer heeft van sommige gevolgen die eruit schijnen voort te vloeien, of, om het bot te stellen, haar obscurantisme. Ik zal niet ontkennen dat wetenschappers, evenzeer als anderen, onderhevig zijn aan grillen en mode en dat we veel reden hebben om voorzichtig te zijn met het aanvaarden van conclusies die zij trekken uit hun laatste nieuwe theorieën. Maar de redenen van ons voorbehoud moeten zelf rationeel zijn en moeten gescheiden gehouden worden van onze spijt dat de nieuwe theorieën onze geliefde geloofspunten ondermijnen. Ik kan niet veel geduld hebben met degenen die, bijvoorbeeld, een afkeer hebben van de evolutietheorie of wat zij noemen ‘mechanistische’ verklaringen van het fenomeen leven vanwege bepaalde morele consequenties die op het eerste gezicht schijnen te volgen uit deze theorieën, en nog minder met dezen die het als irrelevant of oneerbiedig beschouwen om bepaalde vragen ook maar te stellen. Door te weigeren de feiten onder ogen te zien, verzwakt de conservatief enkel zijn eigen positie. Dikwijls volgen de conclusies die, gebaseerd op rationalistische vermoedens, getrokken worden uit nieuwe wetenschappelijke inzichten hier helemaal niet uit. Maar alleen al door actief deel te nemen aan het uitwerken van de gevolgen van nieuwe ontdekkingen leren we of ze al of niet passen in ons wereldbeeld, en, indien ja, hoe. Indien onze morele geloofspunten werkelijk zouden blijken afhankelijk te zijn van feitelijke aannames die onjuist blijken te zijn, dan zou het nauwelijks moreel juist zijn om ze te verdedigen door te weigeren om feiten onder ogen te zien.

Verbonden aan het conservatieve wantrouwen van het nieuwe en het vreemde is haar vijandigheid tegenover internationalisme en haar neiging tot een sterk nationalisme. Hierin ligt een andere bron van haar zwakheid in de strijd om ideeën. Het kan het feit niet veranderen dat de ideeën die onze beschaving veranderen geen grenzen respecteren. Maar weigering om nieuwe ideeën te leren kennen berooft je van de kracht om deze ideeën effectief te weerleggen wanneer het nodig is. De groei van ideeën is een internationaal proces, en slechts diegenen die volwaardig deelnemen in de discussie zullen in staat zijn om betekenisvolle invloed uit te oefenen. Het is geen werkelijk argument om te zeggen dat een idee on-Amerikaans is, of on-Duits, noch is een fout of slecht ideaal beter omdat het van één van onze landgenoten afkomstig is.

Er kan nog heel wat meer gezegd worden over het nauwe verband tussen conservatisme en nationalisme, maar ik zal niet uitweiden over dit punt omdat men zou kunnen denken dat mijn persoonlijke mening het mij onmogelijk maakt te sympathiseren met enige vorm van nationalisme. Ik zal er slechts aan toevoegen dat het deze nationalistische dubbelzinnigheid is die dikwijls de grondslag biedt voor de brug van conservatisme naar collectivisme: denken in termen van ‘onze’ industrie of middelen is slechts een kleine stap verwijderd van de eis dat deze nationale bezittingen dienen aangewend te worden voor het nationaal belang. Maar wat dit betreft is het Continentaal liberalisme dat afgeleid is van de Franse Revolutie weinig beter dan het conservatisme. Ik hoef nauwelijks te zeggen dat nationalisme van deze soort iets heel anders is dan patriottisme en dat een aversie van nationalisme volledig compatibel is met een diepe gehechtheid aan nationale tradities. Maar het feit dat ik er de voorkeur aan geef en eerbied voel voor sommige tradities uit mijn maatschappij hoeft geen oorzaak te zijn van vijandigheid tegenover alles wat vreemd en anders is.

Slechts bij een eerste indruk lijkt het paradoxaal dat het anti-internationalisme van het conservatisme zo dikwijls geassocieerd wordt met imperialisme. Maar hoe meer iemand een afkeer heeft van het vreemde en zijn eigen gebruiken superieur vindt, hoe meer hij ertoe neigt het als zijn ‘missie’ te zien om anderen te ‘beschaven’ - niet door vrijwillige en ongehinderde omgang zoals de Liberaal verkiest, maar door hen de zegeningen van een efficiënte overheid te brengen. Het is significant dat we ook hier weer de conservatieven dikwijls de handen in elkaar zien slaan met de socialisten tegen de liberalen - niet enkel in Engeland, waar de Webbs en hun Fabianen uitgesproken imperialisten waren, of in Duitsland, waar staatssocialisme en koloniaal expansionisme samengingen en de steun vonden van dezelfde ‘salonsocialisten’, maar ook in de Verenigde Staten, waar het zelfs ten tijde van de eerste Roosevelt kon aanschouwd worden: “de Jingo’s en de Sociale Hervormers zijn samengegaan en hebben een politieke partij gevormd, die ermee dreigde de regering te kapen en te gebruiken voor haar programma van Caesaristisch paternalisme, een gevaar dat nu slechts bezweerd lijkt te zijn doordat de andere partijen hun programma in ietwat mildere graad en vorm hebben overgenomen.”

Er is één aspect echter, waarvan met recht gezegd kan worden dat de liberaal een positie inneemt halverwege de socialisten en de conservatieven: hij staat even ver weg van het ruwe rationalisme van de socialist die alle sociale instellingen wil herontwerpen aan de hand van een patroon dat voorgeschreven wordt door zijn individuele denken, als van het mysticisme waartoe de conservatief zo frequent zijn toevlucht moet nemen. Het standpunt dat ik hier heb omschreven als Liberaal, deelt met het conservatisme een wantrouwen van de rede in zoverre dat de liberaal zich er zeer van bewust is dat we niet alle antwoorden kennen en dat hij er niet zeker van is dat de antwoorden die hij heeft stellig de juiste zijn, of zelfs dat we alle antwoorden kunnen vinden. Hij kijkt er ook niet op neer om assistentie te zoeken van om het even welke niet-rationele instelling die zijn waarde heeft bewezen. De liberaal verschilt van de Conservatief in zijn bereidheid om zijn onwetendheid te aanvaarden en toe te geven hoe weinig we weten, zonder het gezag van bovennatuurlijke krachten in te roepen waar zijn verstand tekortschiet. Het moet toegegeven worden dat in sommige gezichtspunten de liberaal fundamenteel een scepticus is – maar het lijkt een bepaalde graad van nederige of respectvolle twijfel te vereisen om anderen hun geluk te laten zoeken op hun eigen weg en om consistent aan deze tolerantie, die een essentiële karakteristiek is van het liberalisme, vast te houden. Conservatieven zien dit dan ook helemaal anders.

Er is geen reden waarom dit noodzakelijkerwijs een afwezigheid van religieus geloof van de kant van de liberaal moet betekenen. Anders dan het rationalisme van de Franse Revolutie, heeft het liberalisme geen strijd met religie, en ik kan het militante en essentieel onliberale antiklerikalisme (antireligionisme) dat zo energiek aanwezig was in het negentiende-eeuwse Continentale liberalisme slechts betreuren. Dat dit niet essentieel is aan het liberalisme wordt duidelijk getoond door haar Engelse voorvaderen, de Old Whigs, die maar al te nauw verbonden waren met een bepaald religieus geloof. Wat de liberaal hier van de conservatief onderscheidt is dat hij zich, hoewel ernstig met zijn eigen geloof, nooit zichzelf het recht zal toe-eigenen om dit aan anderen op te leggen en dat voor hem het spirituele en het wereldse verschillende sferen zijn die niet door elkaar worden gehaald.

Wat ik heb gezegd zou voldoende moeten zijn om uit te leggen waarom ik mijzelf niet zie als conservatief. Veel mensen zullen denken echter, dat het standpunt dat opduikt nauwelijks is wat zij gewend zijn ‘liberaal’ te noemen. Ik moet daarom nu de vraag onder ogen zien of deze benaming vandaag de geëigende benaming is voor de partij van vrijheid. Ik heb reeds aangegeven dat, hoewel ik mijzelf mijn hele leven omschreven heb als een liberaal, ik dit de laatste tijd gedaan heb met toenemende twijfel – niet alleen omdat in de Verenigde Staten deze term constant aanleiding geeft tot misverstanden, maar ook omdat ik mijzelf meer en meer bewust ben geworden van de grote kloof die er bestaat tussen mijn standpunt en het rationalistische Continentale liberalisme of zelfs het Engelse liberalisme van de utilitaristen.

Indien liberalisme nog steeds zou betekenen wat het betekende voor de Engelse historicus die in 1827 kon spreken over de revolutie van 1688 als ‘de triomf van deze principes die in de taal van vandaag Liberaal of constitutioneel genoemd worden’ of als men nog steeds zou kunnen spreken, met Lord Acton, van Burke, MacAulay en Gladstone als de drie grootste Liberalen, of als men nog steeds, met Harold Laske, Tocqueville en Lord Acton zou kunnen beschouwen als ‘de belangrijkste liberalen van de negentiende eeuw’, dan zou ik inderdaad maar al te trots zijn mijzelf met deze benaming te omschrijven. Maar, zoveel als ik ertoe verleid word om hun Liberalisme het ware liberalisme te noemen, moet ik erkennen dat de meerderheid van de Continentale liberalen voor ideeën stonden waartegen deze mannen sterk gekeerd waren, en dat zij meer werden geleid door een verlangen om de wereld een voorbedacht rationeel patroon op te leggen dan te voorzien in de gelegenheid van vrije groei. Hetzelfde is grotendeels waar voor wat men liberalisme heeft genoemd in Engeland tenminste sinds de tijd van Lloyd George.

Het is aldus noodzakelijk om te erkennen dat wat ik ‘liberalisme’ genoemd heb weinig van doen heeft met enige politieke strekking die vandaag onder die benaming doorgaat. Het is ook twijfelachtig of de historische associaties die deze term vandaag draagt oorzaak zijn van het succes van enige van deze groepen. Of in deze omstandigheden men een inspanning moet doen om de term te redden van wat men aanvoelt als een misbruik is een vraag waarin de meningen uiteen kunnen lopen. Ikzelf vind meer en meer dat het gebruik van deze term zonder lange verklaringen teveel verwarring zaait en dat het als label meer een ballast dan een bron van sterkte is geworden.

In de Verenigde Staten, waar het bijna onmogelijk is geworden om de term ‘liberaal’ te gebruiken in de betekenis waarin ik het gebruikt heb, wordt de term ‘libertarisch’ gebruikt in de plaats daarvan. Wellicht is dat de oplossing, maar wat mij betreft klinkt deze zonderling en onaantrekkelijk. Naar mijn smaak draagt het teveel het karakter van een verzonnen woord en van een surrogaat. Wat ik zou willen is een woord dat de partij van het leven beschrijft, de partij die vrije groei voorstaat en spontane evolutie. Maar ik heb mijn hersens gepijnigd zonder succes om een beschrijving te vinden die voor zichzelf spreekt.

We moeten voor ogen houden echter, dat, ten tijde dat de idealen die ik heb trachten te herformuleren, zich begonnen te verspreiden door de Westerse wereld, de partij die deze vertegenwoordigde een algemeen erkende naam had. Het waren de idealen van de Engelse Whigs die de inspiratie vormden voor wat later bekend werd als de liberale beweging in gans Europa en die de concepten leverde die de Amerikaanse kolonisten met zich meedroegen en die hen leidden in hun strijd om onafhankelijkheid en naar de stichting van hun grondwet. Inderdaad, tot het karakter van deze traditie werd gewijzigd door de toevoegsels ten gevolge van de Franse Revolutie, met haar totalitaire democratie en socialistische leerstellingen, was ‘Whig’ de benaming waaronder de partij van de vrijheid algemeen bekend stond.

De benaming stierf in haar geboorteland, deels omdat de principes waarvoor hij stond een tijdlang niet meer onderscheidend waren voor een bepaalde partij en deels omdat de mannen die de naam droegen niet trouw bleven aan deze principes. De Whig partijen van de negentiende eeuw, zowel in Brittannië als in de Verenigde Staten, brachten uiteindelijk de naam in diskrediet bij de radicalen onder hen. Maar het is nog altijd waar dat, aangezien liberalisme de plaats van het Whiggisme pas heeft ingenomen nadat de vrijheidsbeweging het ruwe en militante rationalisme van de Franse Revolutie had geabsorbeerd, en aangezien onze taak hoofdzakelijk moet bestaan in het bevrijden van deze traditie van de overrationalistische, nationalistische en socialistische invloeden die erin doorgedrongen zijn, Whiggisme historisch gezien de correcte benaming is voor de ideeën waarin ik geloof. Hoe meer ik leer over de evolutie van ideeën, hoe meer ik me er van bewust ben geworden dat ik gewoon een berouweloze Old Whig ben – met de nadruk op ‘Old’.

Zichzelf bekennen als een Old Whig betekent uiteraard niet, dat men terug wil gaan naar het einde van de zeventiende eeuw. Het is één van de doelstellingen geweest van dit boek om te tonen dat de doctrines die toen voor het eerst werden geformuleerd zijn blijven groeien en ontwikkelen tot ongeveer zeventig of tachtig jaar geleden, zelfs ondanks dat ze niet langer het hoofdstreven vormden van een bepaalde partij. Sindsdien hebben we veel geleerd dat ons ertoe in staat zou moeten stellen om ze te herformuleren in een meer bevredigende en effectieve vorm. Maar, hoewel het vereist is om ze te herformuleren in het licht van onze huidige kennis, zijn de basisprincipes nog altijd deze van de Old Whigs. Toegegeven, de latere geschiedenis van de partij die deze naam droeg heeft sommige historici doen twijfelen of er wel een welomschreven kern van Whigse principes bestond. Toch kan ik kan het alleen maar eens zijn met Lord Acton dat, hoewel sommige van de patriarchen van de doctrine ‘de meest onfatsoenlijke heerschappen’ waren, de notie van een hogere wet boven maatschappelijke conventies, die met het Whiggisme begon, de hoogste verwezenlijking is van de Engelsen en hun nalatenschap aan de natie – en we mogen eraan toevoegen, aan de wereld. Het is de doctrine die aan de basis ligt van de algemene traditie van de Angelsaksische landen. Het is de doctrine waar het Continentale liberalisme uit genomen heeft wat er waardevol in was. Het is de doctrine waar het Amerikaanse overheidssysteem op gebaseerd is. In haar pure vorm is het terug te vinden in de Verenigde Staten, niet door het radicalisme van Jefferson, noch door het Conservatisme van Hamilton of zelfs van John Adams, maar door de ideeën van James Madison, de ‘vader van de constitutie’.

Ik weet niet of het politiek gezien praktisch is om die oude benaming nieuw leven in te blazen. Dat dit voor de meeste mensen, zowel in de Angelsaksische wereld als overal elders, vandaag de dag een term is zonder duidelijke associaties is misschien eerder een voordeel dan een nadeel. Voor hen die vertrouwd zijn met de geschiedenis van ideeën is het waarschijnlijk een benaming die verreweg het beste uitdrukt wat de traditie bedoelt. Dat het Whiggisme, zowel voor de echte conservatief en zelfs nog meer voor de vele socialisten die in conservatieven zijn veranderd, de benaming is voor hun favoriete aversie, toont een gezond instinct van hun kant. Het is de benaming geweest voor de enige verzameling idealen die consistent is ingegaan tegen alle willekeurige macht.

Men kan zich terecht afvragen of de benaming werkelijk zo’n grote rol speelt. In een land als de Verenigde Staten, dat, in het algemeen, vrije instellingen heeft en waar, tengevolge daarvan, de verdediging van het bestaande dikwijls de verdediging van de vrijheid is, maakt het misschien niet zoveel uit dat de verdedigers van de vrijheid zichzelf conservatieven noemen, hoewel zelfs hier de associatie met de conservatieven uiteraard dikwijls vervelend kan zijn. Zelfs wanneer mensen instemmen met dezelfde afspraken, dient de vraag gesteld te worden of zij hiermee kunnen instemmen omdat ze al bestaan of omdat ze uit zichzelf wenselijk zijn. De algemene weerstand tegen de golf van collectivisering mag het feit niet verdoezelen dat het geloof in integrale vrijheid gebaseerd is op een essentieel vooruitkijkende (progressieve) houding en niet op enig nostalgisch verlangen of romantische bewondering voor het verleden.

De noodzaak aan een helder onderscheid is echter absoluut primordiaal, daar waar de conservatieven, zoals in grote delen van Europa, al een groot deel van de collectivistische geloofsovertuiging hebben aanvaard - een overtuiging die zolang de politiek heeft beheerst dat vele van haar instellingen aanvaard worden als vanzelfsprekendheden en een bron van trots vormen voor de ‘conservatieve’ partijen die hen gecreëerd hebben. Hier kan diegene die in vrijheid gelooft niet anders dan in conflict treden met de conservatieven en een essentieel radicale positie innemen, gericht tegen populaire vooroordelen, ingegraven posities, en stevig ingewortelde privileges. Dwaasheden en misbruiken worden niet beter omdat ze al lang gewortelde dwaasheden en misbruiken zijn.

Hoewel ‘Quieta non movere’ (zachtjesaan, dan breekt het touwtje niet) soms een wijze stelregel is voor de staatsman kan het de politieke filosoof niet bevredigen. Hij mag dan nog willen dat de politiek behoedzaam vooruitgaat en niet voordat de publieke opinie klaar is om haar te ondersteunen, maar hij kan geen afspraken accepteren enkel en alleen omdat de huidige opinies deze goedkeuren. In een wereld waar de belangrijkste behoefte, eens te meer, is, zoals het was in het begin van de negentiende eeuw, om het proces van spontane groei te bevrijden van obstakels en belemmeringen die door menselijke dwaasheid zijn opgestapeld, moet zijn hoop gevestigd zijn op het overtuigen en het verwerven van de steun van diegenen die door hun aard ‘Progressieven’ zijn, dezen die, hoewel zij nu wellicht verandering zoeken in de verkeerde richting, tenminste bereid zijn om het bestaande kritisch te onderzoeken en het te veranderen waar nodig.

Ik hoop dat ik de lezer niet misleid heb door occasioneel te spreken van de ‘partij’ waar ik dacht aan groepen mensen die een verzameling intellectuele en morele principes verdedigen. Partijpolitiek van welk land dan ook is niet de bezorgdheid van dit boek geweest. De vraag hoe de principes die ik heb geprobeerd te herformuleren door de gebroken fragmenten van een traditie samen te voegen kan vertaald worden in een programma dat de massa aanspreekt, moet de politieke filosoof overlaten aan ‘dat verraderlijke en doortrapte dier, vulgair genaamd een staatsman of politieker, wiens beraadslagingen gestuurd worden door de grillen van de eigentijdse dingen.’ De taak van de politieke filosoof kan slechts zijn om de publieke opinie te beïnvloeden, niet om de mensen tot actie te organiseren. Dat kan hij slechts efficiënt doen als hij zich niet bezighoudt met wat er op dit moment politiek mogelijk is, maar consistent de verdediging opvat van de ‘algemene principes die altijd dezelfde zijn.’ In deze zin twijfel ik eraan of er zoiets kan bestaan als een conservatieve politieke filosofie. Conservatisme mag dan een bruikbare praktische stelregel zijn, maar het geeft ons geen leidende principes die ontwikkelingen op lange termijn kunnen beïnvloeden.

Dit essay van Friedrich von Hayek verscheen in het Nederlands ook op de websites van Liberales, het LVSV en Nova Civitas.

Meer over de ideeën van Hayek op www.montpelerin.org.