For our heritage and freedom ! Home | About | Contact | Vincent De Roeck | Liberty Quotes | The Free State | In Flanders Fields | Nova Libertas | Feeds |

We are all socialists now!

In de lente van 1939 deed Henry Morgenthau, de financiënminister onder Franklin Delano Roosevelt, de volgende bekentenis: "We have tried spending money. We are spending more than we have ever spent before and it does not work (...) I say after eight years of this Administration we have just as much unemployment as when we started (...) And an enormous debt to boot." Morgenthau besefte maar al te goed dat de "New Deal" geen zoden aan de dijk zou brengen. Gelukkig voor hun model werd de aandacht nadien afgeleid door de Tweede Wereldoorlog en de oorlogseconomie. Maar uiteindelijk zijn alle economen het erover eens dat de naoorlogse open vrije markt de economie terug op het goede spoor gezet heeft, en zeker niet de oorlogsinspanningen. Vandaag maken onze leiders exact dezelfde fouten. Wanneer gaan zij dat eens beseffen en bekennen dat zij de economische evolutie enkel maar kunnen ondergaan? Politici die denken de economie te kunnen sturen, zijn ofwel naïeve leugenaars ofwel gevaarlijke gekken.

Mijn studentenleven loopt op haar einde en ook mijn engagementen binnen het LVSV zijn aan het uitdoven. Morgenavond ben ik hoofdredacteur en bestuurslid van LVSV Leuven af, donderdagavond ben ik ook nationaal ondervoorzitter af. Hieronder vinden jullie mijn laatste editoriaal als Blauwdruk-redacteur en LVSV'er. Een kritische - maar toch ook optimistische - zwanenzang. "We are all socialists now!"
Dit editoriaal is mijn laatste wapenfeit als hoofdredacteur van dit magazine én ook als lid van het LVSV Leuven. Na juni wachten mij immers andere uitdagingen en zoek ik nieuwe horizonten op. Ik zal het LVSV en de LVSV’ers zeker missen, maar de mij doorheen de jaren eigengemaakte liberale ideeën zal ik steeds blijven koesteren. Het LVSV is nu éénmaal een « blauwe tatoeage op onze ziel » om het met de woorden van oud-premier Guy Verhofstadt te zeggen. Het LVSV wordt door velen dan ook niet voor niets als het « liberale geweten van Vlaanderen » versleten. En laat het nu toch net daarom zijn dat dit een afscheid in droefheid en verslagenheid is.

Toen ik in oktober laatstleden mijn allereerste editoriaal als hoofdredacteur begon met de stelling dat het op liberaal vlak helemaal niet goed ging met de toestand van ons land en de wereld kon ik bij benadering niet vermoeden dat we in amper zeven maanden tijd nog verder zouden kunnen afglijden naar collectivisme en etatisme. Nog nooit in de naoorlogse geschiedenis hebben rechts en links, « liberaal » en conservatief, zo blindelings de verkeerde waandenkbeelden nagejaagd dan tijdens deze economische crisis. De cover van het Amerikaanse blad « Newsweek » enkele maanden geleden sprak in dat opzicht ook boekdelen: « We are all socialists now! »

Op een duizend miljard meer of minder wordt niet gekeken. De drukpersen van de centrale banken draaien overuren om nog meer fiatgeld in de economie te kunnen pompen. De grenzen moeten dicht, de eigen productie moet beschermd worden. Fundamenteel ongezonde bedrijven moeten gered worden op de kap van de belastingbetalers. Incompetente bankiers worden met belastinggeld beloond voor hun fouten, en door en door rotte banken krijgen extra zuurstof als waren het de bedrijven van de toekomst. De apparatsjiks van de EUSSR in Brussel gunnen zichzelf ook geen rust meer. De crisis wordt als voorwendsel aangewend om het privé-initiatief nog meer aan banden te leggen en de « commanding heights » van de economie terug onder staatscontrole te brengen. Zichzelf onmisbaar wanende bureaucraten komen aandraven met nieuwe pakketten regels en restricties. Zelfs het spook van vaste prijszettingen waart terug door Europa. John Maynard Keynes, de grondlegger van de economische crisis van de jaren 1970, wordt opnieuw als genie binnengehaald. De kunstmatige kredietexpansies van Alan Greenspan, de oorzaak van deze crisis, worden in de analyses niet in rekening gebracht. De enige economen die dit alles hebben voorspeld, de Austrians, worden nog meer dan vroeger afgedaan als reactionnaire hobbyisten-fundamentalisten. En geen kat die hier kritiek op heeft. De barricaden blijven onbemand, het forum leeg. Geen liberale boegbeelden die hiertegen ten strijde trekken. Geen Open Vld of LDD die zeggen waar het op staat: het kapitalisme heeft helemaal geen schuld aan deze crisis. Beter besturen is én blijft minder besturen! Het LVSV is de enige die de daad bij het woord voert en consequent de vrijemarkteconomie blijft verdedigen. Moederziel alleen.

De verkiezingen van juni lijken mij ook alweer een maat voor niets. Twee liberale partijen die liever met elkaar staan bakkeleien in plaats van samen een coherent liberaal verhaal te schrijven dat Vlaanderen opnieuw op het pad van de vooruitgang kan zetten. Vooruitgang betekent niet nog meer geld afromen van bedrijven en productieven, of nog meer geld spenderen aan kunst en cultuur, of openbaar vervoer. Vooruitgang betekent economische groei realiseren die échte jobs met zich mee kan brengen, échte welvaart kan genereren in ons land en de burgers écht kan toelaten hun lot in eigen hand te nemen. Macht outsourcen naar de Europese Unie is al evenmin een optie. De inherente inertie van het Europese project zal de situatie immers enkel nog maar verslechteren.

Ronald Reagan stelde op de nominatieconventie van Barry Goldwater in 1964 al de juiste vraag: « Ofwel volgen we het pad van vrijheid en verantwoordelijkheid, ofwel geven we toe dat een kleine in zichzelf gekeerde elite in een verafgelegen hoofdstad beter geplaatst is om onze keuzes te maken en onze levens te leiden dan wijzelf? » Net zoals Dutch geloof ik niet in centralisering en socialisering. Maar net zoals in 1964 is de overwinning voor de vrijheid nog niet voor morgen... Maar toch zullen we ooit zegevieren! Veel leesplezier! En zon op al jullie wegen...
Ik maakte van de gelegenheid ook gebruik om in mijn laatste nummer van Blauwdruk eens kort stil te staan bij mijn kijk op het liberalisme in het algemeen en op het LVSV in het bijzonder.
Het mag misschien als een cliché overkomen, maar het is een feit dat een politieke studentenvereniging als het LVSV staat of valt met zijn ideologische overtuiging. Ook voor mij is dat natuurlijk één van de belangrijkste fundamenten van onze organisatie. Net zoals zovele andere LVSV’ers beschouw ik mezelf als een klassiek-liberaal student en geloof ik dat deze ideologie niet enkel de beste is, maar ook de enige écht noodzakelijke. Alle andere gangbare politieke overtuigingen - het woord “ideologie” zou ons te ver leiden - gaan immers uit van een sterke staat, van strikte regels en van een geloof in de maakbaarheid van de mens. Als liberalen verwerpen wij deze collectivistische gedachte en ijveren wij voor een maatschappelijk model dat gestoeld is op het weerbaar individu en op de drie basiswaarden van het liberalisme, zijnde het individueel recht op zelfbeschikking over zijn eigen lichaam en leven (“life”), het primaat van de individuele keuzevrijheid (“liberty”) en het absolute recht op privaat eigendom zonder hetwelk woorden als vrijheid of zelfbeschikking maar lege dozen zijn (“property”). In navolging van Thomas Jefferson durven sommigen hier zeker ook nog een vierde waarde bij betrekken die alles overstijgt, en dat is de “pursuit of happiness”, het streven naar geluk. Wij zijn er rotsvast van overtuigd dat geluk, ofschoon onmeetbaar, de drijfveer is van elk individu en dat “life”, “liberty” en “property” de drie beste garanties zijn om het individu toe te laten zijn eigen leven vorm te geven, zijn eigen geluk te bewerkstelligen, en zijn eigen dromen na te jagen.

De vrije markt is ons credo en het begrip “marktfalen” is dan ook onze grootste vijand. Wij geloven net als Adam Smith dat de onzichtbare hand van de vrijemarktwerking een “zachte” hand is, en dat het liberalisme, zelfs de meest radicale vorm ervan, de meest sociale ideologie is. Wij moeten als liberalen het warm water niet gaan heruitvinden, noch moeten wij ons heil gaan zoeken in dogma’s, taboes of demagogische retoriek. Wij weten dat elke vorm van overheidsinmenging uiteindelijk leidt tot totalitaire dictatuur en dat het individu, hoe arm ook, bekaaider afkomt van een (gematigde) dictatuur dan van een vrijemarkteconomie. En tot deze stelling kan elk individu komen op basis van de rede. Men moet daarvoor geen boeken over knechtschap gelezen hebben van grote namen als Ludwig von Mises of Friedrich von Hayek, ook al bieden hun schrijfsels fundamentele perspectieven voor elke vrije samenleving. Wij geloven zéér hard in de kracht van het individu, en daarom kunnen wij het nooit tolereren dat een overheid, elke overheid, zijn grondwettelijke macht usurpeert om zichzelf te bestendigen op de kap van de individuele burgers, op de kap van de belastingbetalers.

Wij zijn verheugd dat er binnen de Vlaamse studentenscène nog plaats is voor écht politiek en maatschappelijk debat over de kern van onze samenlevingsproblemen. Het idealisme van het LVSV bewijst dat niet alle jongeren tegenwoordig “waarde-loos” of “verburgerd” zijn. Het LVSV is van oorsprong Vlaamsgezind maar tracht zich tegelijkertijd te profileren als een warme club die de opgeklopte Vlaams-Waalse tegenstrijdigheden kan overstijgen om steeds de kant van het liberalisme, van de vrijheid en van de economische redelijkheid te kiezen, wars van tromgeroffel en oubollig vendelgezwaai. Wij staan voor een open blik naar het zuiden van ons land en voor een sterk internationaal activisme. Wij beseffen dat er nog veel werk is voor het LVSV om zijn idealen uit te dragen en om de liberale beweging terug te loodsen naar haar klassieke wortels, maar wij blijven immer paraat om dat doel te verwezenlijken.

Het LVSV wil in volle openheid alles in zijn werk stellen om het klassiek-liberalisme te verdedigen, en vooral om het een jong gezicht te geven. Met utopisch theoretische ivorentorendiscussies verwerft men geen invloed, maar met een permanente aanwezigheid in de wandelgangen van de macht, zowel academische als politieke, kan men de liberale zaak veel beter dienen. Wij zijn dan ook allemaal trots dat wij via ons engagement binnen het LVSV de liberale zaak kunnen dienen. En om te besluiten, zou ik graag de ondertitel aanhalen van het tijdschrift “The New American” dat als geen ander de essentie weet te capteren van wat wij zijn, waar wij staan en waarvoor wij elke dag opnieuw in de bres springen. That freedom shall not perish! Opdat vrijheid nooit zal verdwijnen.
En ook tal van andere LVSV'ers gebruikten dit Blauwdruk-nummer weerom als drager van hun boodschappen. Jens Moens valt de Europese Unie aan en hun verwoede pogingen om na drugs en tabak nu ook de alcoholconsumptie te gaan stigmatiseren. Johan Van Woensel houdt een vurig pleidooi voor de activering van werklozen via de OCMW's. Philippe Caeymaex doorprikt de illusie alsof de buitenlandse vertegenwoordigingen van deelstaten een meerwaarde zouden hebben. Kevin Wielockx analyseert de Fortis-saga en verwijt de overheid een onteigeningspolitiek gevoerd te hebben. Nick Roskams laat zijn licht schijnen op het Bologna-proces en brengt een liberale kijk op het hoger onderwijs naar voren. Verder vinden jullie nog enkele teksten van mij en enkele anderen, verslagen van activiteiten, foto's, cartoons en citaten in dit lijvig nummer van Blauwdruk. Alle teksten verschijnen deze week ook op de website van het LVSV Leuven, net als de te downloaden PDF-versie. Enjoy!

Deze stukken verschenen ook in het LVSV-blad Blauwdruk.

Meer over de liberale studenten op www.lvsvleuven.be.

8 Reacties:

At 12:01 Vincent De Roeck said...

De geheelonthouders hebben gelijk...
Jens Moens in Blauwdruk

Toen ik op een namiddag begin april de website van De Standaard opende, werd mijn aandacht getrokken door een bericht met als titel “Alcohol wordt steeds betaalbaarder”. Aangezien de meeste van mijn collega-studenten in tegenstelling tot deze titel graag klagen over de steeds hogere prijzen van hun pint (er bestaan zelfs al facebook-groepen die eisen dat de overheid maximumprijzen oplegt aan die vuile geldwolven van AB InBev), leek dit een veelbelovend nieuwtje. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik het artikel zelf las.

Wat stond er dan juist in het artikel? Het citeerde een onderzoek dat de particuliere onderzoeksorganisatie RAND had uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie. Dit stelde dat de handel in alcohol de Europese economie naar schatting jaarlijks negen miljard opbrengt, terwijl de kosten (misdaad en geweld, leverziektes, afwezigheid op het werk en familiebreuken) in 2003 opliepen tot 125 miljard. Nu wou de Commissie vooral weten of dit alcoholmisbruik tegen te gaan was door in te spelen op de prijs van de alcohol. En wat bleek? RAND kwam tot de briljante vaststelling (sic) dat er wel degelijk een verband is tussen de consumptie en de betaalbaarheid van alcohol.

En het ging voort: “De alcoholprijs wordt gestuurd door de accijnzen op alcohol, maar die taks houdt geen gelijke tred met de inflatie. Daardoor is in de meeste landen de reële waarde van de alcoholtaks verminderd sinds 1996. Terwijl de inkomens van de consumenten stegen, is de prijs van alcohol relatief stabiel gebleven. Daardoor is alcohol sinds de jaren negentig in bijna alle Europese lidstaten betaalbaarder geworden (vergeleken met het inkomen)… Naarmate alcohol betaalbaarder wordt, stijgt ook de consumptie, blijkt uit de Europese cijfers. Eén procent toename in betaalbaarheid leidt op termijn tot 0,32 procent toename in consumptie. En als de alcoholconsumptie in een land met één procent stijgt, nemen ook drie kwalijke effecten toe, namelijk het aantal verkeersdoden (met 0,85 procent) en verkeersgewonden (met 0,61 procent) en het aantal gevallen van levercirrose (met 0,37 procent). De prijs van alcohol is dus wel degelijk een instrument waarmee de alcoholconsumptie en de negatieve gevolgen ervan kunnen worden bijgestuurd. Maar in de praktijk gebruiken de Europese lidstaten de alcoholtaks te weinig om de volksgezondheid te beschermen en wordt de taks in de eerste plaats als een vorm van belasting gezien.”

De eerste reacties (wat is de commentaarknop bij online krantenartikels toch een toffe tool, vooral bij HLN.be is het dikwijls smullen bij het lezen van deze literaire hoogstandjes) van verontwaardigde lezers volgden al snel en waren bijna unisono pro strengere regulering, gaande van verwijten aan het adres van politici in de raden van bestuur van bierbedrijven tot statements dat de prijzen duurder
MOETEN worden om de kosten aan de maatschappij te drukken. Nu vallen er toch enkele kritische kanttekeningen te maken bij dit artikel.

Ten eerste over het plaatsen van deze 9 miljard tegenover de 125 miljard kosten. Waar komen deze getallen juist vandaan? Daarvoor even de RAND-studie opgezocht (voor de geïnteresseerden: The affordability of alcohol beverage in the European Union: Understanding the link between alcohol affordability, consumption and harms), die deze getallen overgenomen heeft uit de studie van de heren Anderson en Baumberg uit 2006 (Alcohol in Europe - A public health perspective). Hierin staat (zoals ook duidelijk is uit de RAND-studie, maar al minder uit het artikel van Standaard) dat de 9 miljard het deel van de Europese handelsbalans is dat ingenomen wordt door alcohol. In concretu: omdat Europa meer alcohol exporteert dan importeert, resulteert dit wat betreft alcohol in een positieve Europese handelsbalans van 9 miljard euro. Dat de hele economie rond alcohol ettelijke malen meer waard is voor de Europese inwoners hoeft geen betoog en kan gestaafd worden met enkele andere cijfers uit het Anderson/Baumberg-rapport: voor de EU15 bedroegen de accijnzen die binnengehaald werden in 2001 25 miljard euro en de BTW-inkomsten in 1998 34 miljard euro. Het is verre van mijn bedoeling om de deugdelijkheid van deze economie aan te tonen door de hoeveelheid belastingen die er te rapen zijn, maar de insinuatie die men wil wekken dat er vooral kosten zijn en nauwelijks opbrengsten is dus verre van waar. Ook waren er in de jaren ’90 naar schatting 850000 werknemers actief, uitsluitend in de productie van alcoholische dranken.

De 125 miljard is samengesteld uit de kostprijs van misdaad (zowel schade, politie als andere bescherming), schade van verkeersongevallen, gezondheid, behandeling & preventie, mortaliteit, absenteïsme en werkloosheid. Los van het feit dat het al heel moeilijk is (en daarom ook twijfelachtig) om accurate schattingen te maken van een deel van deze sociale kosten, geven Anderson en Baumberg ook toe dat ze geen afschattingen hebben gemaakt van de sociale opbrengsten van alcohol (zoals het vroegtijdig sterven van mensen die in hun latere levensstadia meer zouden kosten aan sociale uitgaven, het plezier dat mensen eruit halen,…) omdat deze te moeilijk in te schatten zouden zijn. Tot slot merkt het uitgebreide RAND-rapport zelf op: “It was estimated that the cost in the EU of alcohol misuse was around €125 billion in 2003 ... This exceeds by an order of magnitude the reported contribution (about €9 billion) of the alcohol industry to the EU economy, although it is unclear whether these figures are directly comparable.” Volgens mijn bescheiden mening is het overduidelijk dat ze niet direct vergelijkbaar zijn, maar ik geef ootmoedig toe dat ik geen kenner ben. In ieder geval heeft deze relativering het summary report en zeker het krantenartikel niet gehaald.

Ten tweede vallen er toch wat kanttekeningen te zetten bij deze ‘harms’ zelf. Stijging van 1% van de betaalbaarheid zou gepaard gaan met stijgingen van 0,85% in het aantal verkeersdoden, 0,61% in het aantal verkeersgewonden en 0,37% in het aantal gevallen van levercirose. Toch ook hier even het uitgebreide rapport van RAND opengeslagen om te kijken wat hier juist achter zit. Aangenomen dat de statistische methodes allemaal juist zijn (het zou nogal ver leiden dit allemaal na te kijken en we gaan ervan uit dat de meeste geciteerde cijfers en rapporten ook wel door ernstige wetenschappers gereviewed zijn), valt volgende zin, gaande over de correlaties met verkeersdoden en -gewonden, op: “Interestingly, the study found that the relationship was not statistically significant in northern Europe, most likely due to stronger compliance in those countries with blood alcohol concentration (BAC) law”. Er is dus gewoon een veel betere manier om deze ongemakken tegen te gaan, namelijk met alcoholcontroles. In mijn ogen nog een redelijk liberale manier: het is aan de eigenaar van de weg om de maatregelen op te leggen die zijn doelstellingen het best dienen. Als die doelstelling is het aantal ongelukken minimaliseren, doet de intuïtie vermoeden dat strenge grenzen en controles hier wel eens zouden kunnen helpen. Ik geef hierbij direct toe dat het niet (klassiek-)liberaal is dat de overheid zich zomaar alle wegen heeft toegeëigend (wat een andere discussie is) en dat deze oplossing misschien niet economisch ideaal is, maar mijns inziens toch al veel beter als het sturen van de alcoholprijs via verhoogde accijnzen.

Dus van de aangehaalde ‘harms’ door de Standaard: wat betreft ‘homicides’ vonden RAND geen statistisch relevante correlaties met alcoholconsumptie en wat betreft verkeer zijn er betere oplossingen. Ook werd de afwezigheid op het werk aangehaald. Hierover geen statistische studie door RAND zelf, enkel schattingen uit andere rapporten. Nogmaals los van het feit hoe accuraat deze te schatten zijn, zijn het kosten die niet door de belastingsbetaler moeten betaald worden. Het is een kost voor de werkgever die nog altijd vindt dat zijn werknemer voldoende opbrengt voor het hem uitbetaalde loon. En waar eindigt dit: bij het verbieden door de overheid van alle zaken die ervoor kunnen zorgen dat de werknemer tijd verliest tijdens zijn werkuren? We kunnen anders internet en zijn toepassingen zoals facebook of bellen met een GSM duurder maken? Dit zijn uiteindelijk zaken die enkel tussen werkgever en werknemer af te spreken vallen: ze hebben een onderling contract afgesloten dat beiden moeten naleven.

Ten derde: wat zouden de eventuele ongewenste effecten kunnen zijn van deze maatregelen en wegen ze op tegen de bereikte doelstellingen waarvoor de maatregelen in gebruik zijn genomen (of zoals Bastiat het zei: “Ce qu’on voit et ce qu’on voit pas”)? Alcohol zal onvermijdelijk duurder worden wat aanleiding zal geven tot een zwarte markt waar alcohol aangeboden wordt die niet die kwaliteit heeft die ze volgens zijn verkopers zou moeten hebben en die door geen enkele instantie gecontroleerd kan worden, wat ze uiteindelijk zeer gevaarlijk zou maken voor de gebruikers. Daarnaast trekken zulke circuits ook criminelen aan (cfr. drugsmilieu). De alcoholverslaafden zullen overigens altijd wel aan hun ‘spul’ blijven geraken (consumptie zal voornamelijk verminderen in de klasse van mensen die niet echt probleemdrinkers zijn), de vraag is echter wat nog de kwaliteit gaat zijn en of ze er beter af door zullen zijn. En indien ze drinken om hun problemen te vergeten of aan de werkelijkheid van hun bestaan te ontsnappen, zullen ze hiervoor dan nu misschien naar andere middelen gaan grijpen die daarom niet noodzakelijk beter (en dikwijls slechter) zijn.

De horeca die nu al met problemen kampt (in bepaalde delen van Europa ook al door de eerder gehouden klopjacht op ‘de roker’) zal nog zwaarder gaan lijden en het sociale leven dat zich nu dikwijls afspeelt op café zal stilaan gaan minderen. Daarnaast zal dit ook gepaard gaan met heel wat jobverlies in de alcoholsector zelf. Zoals eerder aangehaald werken er in de EU15 850000 mensen in de productiesector zelf, maar hiernaast zullen er onvermijdelijk ook jobs verloren gaan in de transportsector, de marketingsector, de landbouw, …

Ten vierde meer fundamenteel en filosofisch: is het wel de taak van de overheid om de burger als dusdanig te beschermen en waar trekken we de grens? Het zou liberaal zijn om te zeggen dat elk individu verantwoordelijk is voor zijn daden. Een individu is vrij om de hoeveelheid alcohol te drinken die hij wil, maar is daarentegen ook verantwoordelijk voor zijn daden. Dus als hij in dronken toestand meent misdadig gedrag te moeten vertonen, dient hij ook te moeten opdraaien voor de gevolgen. Maar wat met de andere kosten die hij meebrengt voor de maatschappij? Het is toch niet omdat hij iedereen met rust laat, dat hij anderen niet tot last kan zijn? Denken we maar aan verhoogde ziekenhuiskosten en ontwenningskosten, en dit allemaal op kosten van de belastingbetaler. Eerst en vooral zijn we niet zeker dat ze hier altijd netto meer kosten dan anderen. Hoe cru het ook moge klinken, als ze op vroegere leeftijd sterven is de kans groot dat ze de maatschappij minder hebben gekost dan mensen die gedurende jaren een pensioen uitgekeerd krijgen en op latere leeftijd dikwijls ook vatbaarder zijn voor andere ziekten (die dikwijls ook duur in behandeling zijn). De beste prikkel die men mensen echter kan geven om gezond te blijven is een deel van de ziektezorg te privatiseren (maar ook dit is een andere discussie die ik hier niet ga voeren).

Stel dat we toch zeggen dat de overheid de mens moet beschermen tegen zijn ondergang: waar wordt dan de lijn getrokken? Bij het aantal doden dat er vallen door slecht (in dit geval overmatig) gebruik? Daarom dat eerst roken werd aangepakt (door de hoge taksen en de verplichte ‘verpakkingswijziging’) en men nu over alcoholbeperking begint na te denken (roken is volgens de WHO de grootste doodsoorzaak in de EU, alcohol staat op 3). Maar op quasi dezelfde hoogte als alcohol staan overgewicht en cholesterol, en op 2 staat bloeddruk (een stuk boven alcohol). Gaan we dan binnenkort voedingsbestanddelen die vetten bevatten ook zwaarder belasten? En de bevolking verplichten om minstens enkele uren per week te sporten? We kunnen misschien elke burger een chip inplanten om dit allemaal te monitoren.

En zo komen Brave New World-toestanden steeds dichter bij, met het centrale Europese gezag dat zal bepalen wat goed is en wat niet voor elke burger (het moet niet altijd onze hoofdredacteur zijn die de EU aanvalt). Een veel betere aanpak is een liberale aanpak, waar men de burger vrij laat zijn consumptiegedrag te bepalen (en dit niet probeert te sturen via taxatie) maar hem ook verantwoordelijk stelt voor zijn daden. Is alcohol een drug die schadelijk kan zijn? Waarschijnlijk wel, net zoals suiker, vet, … En dat merken we het best als we eens een avondje zijn gaan stappen met vrienden en de volgende dag in niet al te goede toestand wakker worden. Maar wie kan er niet eens van zo’n avondje genieten? Of zoals Simon Carmiggelt zei: “De geheelonthouders hebben gelijk, maar enkel de drinkers weten waarom.”

 
At 12:03 Vincent De Roeck said...

De Fortis-aandeelhouders werden onteigend
Kevin Wielockx in Blauwdruk

Op 28 en 29 april werd uiteindelijk na vele maanden procedureslag de verkoop van Fortis aan BNP Paribas door de aandeelhoudersvergadering van Fortis Holding goedgekeurd. Volgens velen betekent dit nu het eindpunt. Hierna zal al de energie in de integratie van Fortis in BNP Paribas kunnen gestoken worden. Volgens de regering is deze deal “in het belang van hun personeelsleden, hun klanten, hun aandeelhouders en het is ook in het belang van ons land." Hier moeten toch wel grote bedenkingen worden geuit. De geringe voordelen die hieruit voorkomen zijn enkel op de korte termijn gericht. De ad-hoc maatregelen die de laatste maanden genomen zijn om ons uit de crisis te loodsen zullen de toekomst van ons land ernstig hypothekeren.
De laatste maanden zijn er op verschillende vlakken maatregelen genomen om de economische crisis tegen te gaan. Men doet aan ‘deficit spending’. Daarnaast wordt er geld gestoken in verlieslatende sectoren waarvan het voortbestaan in ons land niet kan worden gegarandeerd. Ik zal dieper ingaan op de precieze maatregelen die er genomen werden om de Fortisbank te redden.
In september 2009 werd Fortis het slachtoffer van de financiële crisis. Door twijfelachtige beleggingen in toxische producten heeft ze zichzelf in een situatie geplaatst waardoor op dat moment haar voortbestaan uitermate onzeker werd. Dit, naast andere oorzaken zoals de verplichtingen die zij op zich had genomen door de overname van ABN Amro, maakte haar kwetsbaar. Fortis was de eerste Belgische bank in moeilijkheden kwam. De overheid zag zichzelf verplicht om in te grijpen. Bij deze interventie heeft zij zich echter niet de moeite genomen om de regels die ze zelf opgesteld en uitgevaardigd heeft na te leven. Zo is de Raad van Bestuur van Fortis Holding niet bevoegd om zo een groot deel van de activa van het bedrijf te verkopen. Artikel 522 Wetboek Vennootschappen laat toe om in de statuten van de vennootschap bepaalde bevoegdheden te ontnemen aan de Raad van Bestuur. Fortis heeft hier gebruik van gemaakt. De enige rechtsgeldige wijze waarop de verkoop van de bank tot stand kan komen, is door een goedkeuring door de aandeelhouders zelf. Onze regering en BNP Paribas behoren te weten wat er in die statuten staat en hadden dus nooit tot de aankoop mogen overgaan.
De aandeelhouders zijn hier onteigend geworden. Ze hebben formeel gezien nog wel het eigendomsrecht over hun aandelen in het bedrijf, maar alle waardevolle onderdelen van het bedrijf werden van de hand gedaan. Onteigeningen zijn, als dat om redenen van algemeen belang gebeurt, wel niet verboden maar dan moeten de aandeelhouders wel een billijke schadevergoeding krijgen. Door de onteigening te vermommen als een verkoop probeert de regering zich van zijn verplichting te ontdoen. Ondanks het fijt dat de Belgische staat de Fortisbank heeft doorverkocht aan de Nederlandse staat en BNP Paribas, moet zij de aandeelhouders nog altijd vergoeden. Dit is een situatie die in de eerste plaats enorm nadelig is voor ons land en zijn belastingbetalers. De kans is reëel dat na een procedureslag van enkele jaren de Belgische staat miljarden zal moeten betalen aan de aandeelhouders. De huidige generatie politici is dan wellicht al van het toneel verdwenen. Dit is dan weeral een last waar de toekomstige generatie voor zal moeten betalen.
De Belgische regering is zich weldegelijk bewust van de fouten die ze in dit dossier heeft gemaakt. Zo heeft ze al impliciet erkend dat het de aandeelhouders heeft onteigend. Zij heeft onderhandelingen gevoerd met Ping An, de grootste aandeelhouder van Fortis. Ping An eist een schadevergoeding omdat het bedrijf genationaliseerd werd door de Belgische overheid. Volgens een handelsverdrag dat tussen België en China werd gesloten, is de overheid om die reden schadevergoeding verschuldigd. De regering kon hier blijkbaar niet meer argumenten op vinden dan te wijzen op het fijt dat het verdrag nog niet door België werd geratificeerd. Er bestaat echter een vorig verdrag tussen België en China dat reeds sinds de jaren ’80 in werking is tussen beide landen. Daardoor zou Ping An mogelijks toch een vergoeding kunnen vorderen van de Belgische staat.
Ironisch genoeg werd dit verdrag opgesteld om Belgische investeerders te beschermen tegen de Chinese overheid. De toenmalige regering had er echter niet bij stilgestaan dat het wederkerig maken van dit verdrag ook wel eens tegen België zou kunnen worden gebruikt. De Fortisdeal kan onmogelijk in het belang van ons land zijn. Investeerders uit een communistisch land worden geconfronteerd door nationalisaties en onteigeningen van onze overheid. Dat zal wellicht geen investeerders lokken. Onze kroonprins zal nog veel handelsmissies moeten leiden om de schade die de vorige regering in één week heeft gecreëerd, weg te werken.
We mogen ons gelukkig prijzen dat we nog een onafhankelijke rechtelijke macht hebben. Als gevolg van het arrest van de 18de kamer van het Hof van Beroep van Brussel moesten de aandeelhouders zich over de overeenkomst uitspreken. Men heeft hier enkel de wet toegepast. Ondanks de rechtszekerheid die hieruit resulteert, beschouwde de regering dit als een gevaar voor zichzelf en alle actoren die hierin betrokken waren. Aandeelhouders weten immers niet wat ze willen en laten zich enkel leiden door emoties. Op de aandeelhoudersvergadering die hierop volgde werd dan ook het plan met een nipte meerderheid afgeschoten. Maar nadat de regering zich even gebogen hadden over het resultaat van de stemming kwam ze tot de conclusie dat er eigenlijk vóór de deal werd gestemd. Met de ‘Hollandse rekenkunde’ kwam men tot de conclusie dat Belgische aandeelhouders massaal voor de deal hadden gestemd. De Nee-stem kwam door de buitenlandse aandeelhouders waaronder Ping An. Buitenlandse investeerders zijn dus wel goed om hun geld te injecteren in onze economie, maar met hun stem dient geen rekening te worden gehouden.
Bij de aandeelhoudersvergadering van 28 april werd de deal met 73% goedgekeurd. De geldigheid hiervan is wel twijfelachtig. Vooreerst werden de aandeelhouders voor een voldongen fijt gesteld. De verkoop vond in oktober 2008 plaats. Dit maakt het onmogelijk en zeer kostelijk om de overeenkomst te ontbinden. Daarnaast kan het niet dat de stemming om tot verkoop over te gaan, wordt genomen met een willekeurige meerderheid van een bepaald moment. Fortis is een naamloze vennootschap waarvan de aandeelhoudersstructuur per definitie veranderlijk is. Als individuele aandeelhouder heeft men maar een geringe invloed. Veel aandeelhouders hebben daarom hun aandelen van de hand gedaan. Het is niet redelijk om de nieuwe aandeelhouders te laten stemmen over de deal. Hun rechten werden nooit geschonden door de verkoop van de bank. Zij werden nooit onteigend. En op welke basis zouden zij immers kunnen stemmen over een rechtshandeling die de Raad van Bestuur zonder die bevoegdheid te hebben, verrichtte? Op het moment van de verkoop bezaten zij de aandelen niet en kunnen daarom ook niet meebeslissen. Hierover zal in ieder geval op juridisch vlak nog een veldslag worden uitgevochten. Wat moet er gebeuren wanneer een rechter beslist dat toch alleen de aandeelhouders mochten meestemmen die in oktober 2008 hun aandeel al bezaten? De heer Modrikamen, de advocaat van een deel van de aandeelhouders, had voorgesteld om twee keer te stemmen op de algemene aandeelhoudersvergadering. Een eerste keer met alle aandeelhouders en een tweede keer met enkel degene die in oktober hun aandelen al bezaten. Een rechter kon zo beslissen welke stemming geldig was. De Raad van Bestuur heeft dat voorstel afgewezen. Hiermee nemen ze wel een risico. Bij de aandeelhoudersvergadering van februari mochten als gevolg van een rechtelijke beslissing enkel de oorspronkelijke aandeelhouders stemmen. Er is geen aannemelijke reden waarom dat twee maanden later anders zou zijn.
Daarnaast wordt er beweerd dat de deal met BNP Paribas in het voordeel van de spaarders en personeelsleden zou zijn. Toch zullen er door de samensmelting met BNP in ieder geval mensen moeten verdwijnen bij Fortisbank en is een herstructurering noodzakelijk. Men gaat ook voorbij aan het fijt dat veel spaarders en werknemers hun spaarcenten in Fortis-aandelen hadden gestoken. Ze behouden dan wel hun werk voor de enkele jaren dat ze nog op de arbeidsmarkt actief zijn, maar hun gespaard vermogen zijn ze kwijt.
Het is inderdaad zo dat investeren en het aanhouden van aandelen een zeker risico met zich meebrengt. Er is een risico dat een bank failliet gaat door slecht beleid dat ze heeft gevoerd. Maar men kan niet verwachten dat aandeelhouders zich gaan indekken tegen een nationalisering. Het collectiviseren van verlies bij de belastingbetaler terwijl aandeelhouders enkel de baten innen kan echter niet de bedoeling zijn. De overheid besloot dat men vanwege het belang van de banksector, men deze bedrijven niet failliet kon laten gaan. Verschillende banken konden daardoor beroep doen op staatsgaranties en overheidsleningen. Enkel bij Fortis is men overgegaan tot onteigening van de aandeelhouders. Men vond het dus niet nodig om Fortis, dat in handen is van een versplinterde groep aandeelhouders, te beschermen. Terwijl men dit wel heeft gedaan voor een andere bank die voor een groot deel in handen is van de Vlaamse steden en gemeenten. Het minste wat men hiervan kan zeggen is dat de overheid het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Fortis had dezelfde middelen moeten krijgen om zichzelf te handhaven in de moeilijkere tijden.
Indien het met Fortis toch zou verkeerd lopen en een faillissement onvermijdelijk was, kon de curator altijd nog een overnemer zoeken. Onze faillissementswetgeving is soepel genoeg om het dan alsnog te verkopen. Dit was een goede oplossing geweest waarbij de overheid niet direct had geïntervenieerd in het economische leven. We moeten er ons wel van bewust zijn dat het in de komende jaren veel moeilijker zal zijn om nog investeerders te vinden. Wie zal nog bereidwillig zijn om in te stappen in een kapitaalverhoging van Fortis holding wanneer de Raad van Bestuur haar eigen statuten miskent? Dit voorval zal ongetwijfeld de investeringen in België niet ten goede komen. Wie zal nog willen investeren in een land waar de overheid het eigendomsrecht en haar eigen regels schendt?

 
At 12:05 Vincent De Roeck said...

Activeer de werklozen via de OCMW's!
Johan Van Woensel in Blauwdruk

De uitgaven van de sociale zekerheid wegen zwaar op de overheidsfinanciën. De nakende vergrijzing gaat die druk alleen maar verhogen. Daarom ijvert Open Vld voor een beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkering. Een hervorming van het OCMW dringt zich dan ook op. Kernwoorden zijn
kostenbesparing en activering van leefloontrekkers.


Om de druk van de vergrijzing op te vangen moeten uitkeringen onder controle gehouden worden. Het gevolg van het beperken in de tijd van de werkloosheidsuitkering zal zijn dat een grote groep mensen toegang vinden tot de arbeidsmarkt. Dit heeft evidente positieve gevolgen voor de overheidsfinanciën. In plaats van geld te kosten aan de maatschappij, zullen deze personen belastingen betalen en in positieve zin bijdragen tot de overheidsfinanciën. Maar er zullen altijd bepaalde werklozen zijn die na het verstrijken van de maximale termijn nog niet geactiveerd zijn en een leefloon aanvragen bij het OCMW van hun gemeente. Dit brengt een verschuiving van de financiële last mee van de federale overheid naar de gemeenten. De gemeenten betalen via de gemeentelijke bijdrage aan het OCMW immers het deficit van het OCMW van hun gemeente.


Het OCMW past het recht op maatschappelijke integratie toe. Indien iemand voldoet aan de voorwaarden van het recht op maatschappelijke integratie (nationaliteit, leeftijd, verblijfplaats, ontoereikende bestaansmiddelen en werkbereidheid) moet het recht toegepast worden. Er wordt gestreefd naar een maximale integratie en participatie aan het maatschappelijke leven. De mogelijkheden zijn tewerkstelling, leefloon, een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of een combinatie. Indien een persoon niet voldoet aan één van deze voorwaarden is nog steeds maatschappelijke dienstverlening van toepassing. Nu is de beslissing of een persoon een leefloon krijgt of niet, op basis van maatschappelijke dienstverlening, een politieke beslissing. Indien iemand een leefloon aanvraagt volgt een sociaal onderzoek naar de aard en omvang van de behoefte. Het resultaat van dit sociaal onderzoek wordt naar de raad voor maatschappelijk welzijn gestuurd of naar een sociale raad die bepaalde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn gekregen heeft. Deze raad neemt de finale beslissing of een persoon een leefloon krijgt of niet. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn personen die aangeduid zijn door de gemeenteraad. De gemeenteraad is dan weliswaar een rechtstreeks door de burger verkozen orgaan, maar de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn dit niet.


Nu is een persoon die een leefloon aanvraagt op basis van maatschappelijke dienstverlening afhankelijk van de goodwill van een aantal niet rechtstreeks door het volk verkozen mandatarissen. Op dit ogenblik is het enige criterium, in het kader van maatschappelijke dienstverlening, het bestaan van een behoefte. Dit is een criterium dat voor interpretatie vatbaar is. Iemand die samenwoont bijvoorbeeld kan waarschijnlijk eten krijgen bij de persoon met wie hij of zij samenleeft. Het bestaan van een behoefte bij deze persoon is voor interpretatie vatbaar. Iemand die dakloos is maar wel terecht kan bij familie of kennissen, maar dit om welke reden dan ook weigert, heeft eveneens een voor interpretatie vatbare behoefte. Een universitair die al drie jaar geen job op zijn of haar niveau vindt, maar wel onmiddellijk als arbeider kan beginnen via een interim bureau, heeft eveneens een twijfelachtige behoefte. De ene meerderheid zal over een bepaald geval positief beslissen, terwijl een andere meerderheid voor een volledig analoog geval negatief zal beslissen. De aanvrager van het leefloon wordt dus afhankelijk van de goodwill van niet rechtstreeks door het volk verkozen mandatarissen.


Het OCMW moet worden hervormd. De beslissing of een persoon een leefloon krijgt of niet, moet voortaan worden gestoeld op vastgestelde en objectieve criteria. Er moet een gestructureerde aanpak komen. Het maandelijks toekennen van een leefloon, op basis van maatschappelijke dienstverlening,
moet gekoppeld worden aan de inspanningen van de aanvrager in de zoektocht naar werk. Het criterium waarvan het leefloon afhankelijk is, is dus de werkbereidheid. De concrete invullingen en streefcijfers van dit criterium moet in het contract tussen de leefloon aanvrager en het OCMW op individuele basis worden bepaald. De streefcijfers zijn ‘key performance indicators’ van de aanvragers, ofwel cijfermatige indicatoren van hun prestaties.


Mensen die een leefloon aanvragen, op basis van maatschappelijke dienstverlening, moeten een contract tekenen met het OCMW. In dit contract verbinden zij zich ertoe zich te ontwikkelen in hetgeen ze kunnen en willen. De bedoeling is om hen te begeleiden op weg naar onafhankelijkheid van een uitkering. Een geschorste werkloze bijvoorbeeld, die zegt dat hij of zij wil werken, moet effectief opgevolgd worden in de zoektocht naar werk. De persoon moet bewijzen dat hij of zij daadwerkelijk inspanningen levert om te werken. Deze inspanningen moeten intensief gecontroleerd worden. Elke maand moet de persoon bewijzen voorleggen van de zoektocht naar werk. Het niveau van de job waar de leefloontrekker naar op zoek gaat, moet conform vraag en aanbod zijn. Iemand die bijvoorbeeld voor ingenieur gestudeerd heeft, maar al drie jaar werkloos is omdat hij of zij geen werk vindt als ingenieur, moet ook solliciteren voor een job als arbeider. Indien de werkloze in zijn of haar contract met het OCMW is overeengekomen dat hij of zij 30 sollicitaties per maand zou doen en de persoon kan maar van 10 sollicitaties bewijzen voorleggen, krijgt deze persoon de volgende maand geen leefloon.


Als de aanvrager aangeeft dat hij of zij niet wil werken in een traditionele job, dan kan deze persoon een eigenschap of interesse trachten te ontwikkelen in een richting die geld opbrengt om zodoende het leefloon niet meer nodig te hebben. De persoon krijgt de vrijheid om zich bezig te houden met hetgeen hij of zij kan en interesseert. De inspanningen van deze personen moeten streng gecontroleerd worden. De leefloontrekker moet maandelijks bewijzen kunnen leveren van de inspanningen in de zoektocht naar een betaalde tijdsbesteding. Indien de persoon overeengekomen is dat hij of zij bijvoorbeeld 38 uren per week zal besteden aan het ontwikkelen van een bepaalde interesse die geld kan opbrengen en hij of zij besteedt hier maar 20 uren aan, dan krijgt deze persoon de volgende maand geen leefloon. Diegenen die helemaal niet geschikt zijn om te werken blijven uiteraard hun uitkering behouden.


De gemeentelijke bijdrage aan het OCMW kan verkleind worden doordat minder personen het leefloon nodig hebben. De maatschappelijke kost wordt dus kleiner. En de leefloontrekker wordt ook verder geholpen want hij of zij wordt geïntegreerd in de maatschappij. Deze gestructureerde aanpak is een ‘win-win’ situatie voor maatschappij en werkloze. Ook de economie krijgt impulsen, want meer mensen komen terecht in het arbeidscircuit. Deze mensen verdienen dan geld in plaats van geld te kosten aan de maatschappij en ze spenderen dit geld.

 
At 12:06 Vincent De Roeck said...

Een liberale kijk op het hoger onderwijs
Nick Roskams in Blauwdruk

“Gratis onderwijs, wie is daar nu tegen?” Wel, op zich niets, ware het niet dat gratis niet bestaat en er altijd iemand moet opdraaien voor de kosten, ongeacht wat de huidige Limburgse gouverneur ons vroeger heeft voorgelogen. Het gratisverhaal heeft echter nog steeds zijn aanhangers. Het studentenplatform ResPACT ijvert vandaag voor de geleidelijke afschaffing van directe studiekosten en een vermindering van indirecte studiekosten. Volgens de organisatie zijn deze kosten een belemmering voor ieders recht op hoger onderwijs en moet de belastingbetaler hierin bijspringen. (De invloed van voornamelijk linkse verenigingen is duidelijk merkbaar.) Tegelijkertijd eisen zij kwaliteitsvoller onderwijs. Maar een onderwijslandschap waarin men pleit voor steeds meer studenten aan lagere kosten zal niet leiden tot hogere kwaliteit, wel integendeel.
De belastingbetaler als melkkoe
De voorstanders van kosteloos hoger onderwijs argumenteren dat het inschrijvingsgeld aan de Vlaamse onderwijsinstellingen te hoog ligt. Vandaag bedraagt het collegegeld ongeveer 540 euro per jaar, wat bovendien vermindert wordt voor studenten met weinig financiële middelen. De universiteiten ontvangen daarnaast voor elke student bijkomende subsidies aangezien het inschrijvingsgeld alleen absoluut onvoldoende is om de kosten te dekken. Uit onderzoek blijkt dat de kost van een student ongeveer 12.500 euro per jaar bedraagt. Studenten betalen dus ongeveer 4 à 5 procent van hun totale kost, de rest wordt bijgedragen door de belastingbetaler. Een dergelijke vergelijking werpt een ander licht op de éénzijdige beweringen van de ResPACT-flyers. Het is de belastingbetaler die onze studies bekostigt. De toekomst van die studiefinanciering dreigt overigens een probleem te worden naarmate het aantal studenten jaar na jaar stijgt. Ongenuanceerd pleiten voor een verhoogde subsidiëring is dus ondoordacht, zeker in de huidige budgettaire toestand.
ResPACT vraagt ook een drastische vermindering van de indirecte studiekosten, in hun ogen een zeer ruim begrip. Hierbij vernoemen ze zelfs voeding, de aanschaf van allerlei studiemateriaal en culturele ontspanning, met andere woorden wordt er gepleit voor een gesubsidieerd studentenleven. Waarom verdienen studenten deze steun en moeten onder andere hun leeftijdsgenoten die reeds werken hiervoor opdraaien? Het is makkelijk om Sinterklaas te gaan spelen maar men moet goed beseffen dat er altijd iemand de zwarte piet is, namelijk de actieve bevolking die nu reeds een torenhoge belastingdruk draagt. ResPACT argumenteert terecht dat studenten geen melkkoeien zijn, maar belastingbetalers zijn dat blijkbaar wel.
De student als stoelvulling
De belangrijkste stakeholder van het hoger onderwijs is uiteraard de student zelf. Het is maar de vraag wat er met zijn kwaliteit gebeurd als onderwijsinstellingen steeds meer studenten aantrekken in grotere aula’s en voor hun financiering verantwoording moeten afleggen aan de overheid in plaats van aan diegenen die het onderwijs genieten.
Studenten hebben alle belang bij een divers onderwijslandschap waar men tegemoet komt aan hun noden, niet aan de standaardvoorwaarden die de overheid oplegt. Indien de overheid instaat voor alle kosten reduceert men de student tot stoelvulling, een extra nummertje met een financieel voordeel voor universiteiten en hoge scholen. Onderwijsinstellingen kunnen dan lustig hun aula’s vergroten en studenten sparen om hun inkomsten op te drijven. En dat gaat niet hand in hand met verhoogde kwaliteit. Bovendien is het aanzuigeffect van gratis onderwijs nadelig voor de arbeidsmarkt. Mensen zonder hogere opleiding zijn in geen enkel opzicht inferieur, integendeel, ze zijn vandaag broodnodig om zogenaamde knelpuntberoepen in te vullen. Of pretendeert ResPACT misschien dat men moet gaan studeren om iets te betekenen in deze wereld?
En wat als de budgettaire toestand minder gunstig wordt tengevolge van de gratiscultuur? Zullen we dan de belastingbetaler opzadelen met extra lasten? Of zullen de universiteiten het moeten stellen met minder geld voor meer studenten? Geen van beide keuzes lijkt me wenselijk.
Naar een gezonde onderwijscultuur
Waarover gaat dit debat eigenlijk? De actie van ResPACT is een illustratie van de manier waarop wij in Europa omgaan met ons onderwijs. We beschouwen hoger onderwijs namelijk als een recht dat we moeten afdwingen van de overheid en waarvoor iemand anders dan maar moet opdraaien. Zelfs de geringste kosten worden bestempeld als ondemocratisch en elitair en worden liefst zo snel mogelijk afgeschaft (lees: afgewenteld op iemand anders). Onderwijsinstellingen worden op deze manier fabrieken van sociale gelijkheid in plaats van bronnen van innovatie, met alle aangehaalde gevolgen van dien.
Het kan ook anders. Kijken we bijvoorbeeld naar het hoger onderwijs in de Verenigde Staten. De Amerikaanse universiteiten domineren de internationale rangschikkingen en genieten een wereldwijd prestige. Hun alumni kapen bovendien het merendeel van de Nobelprijzen en dergelijke weg. De Europese universiteiten daarentegen verliezen terrein op internationaal vlak. Men moet zich afvragen wat de oorzaken zijn van dit onderscheid. Een doorslaggevende reden is alvast het onderwijsklimaat in de Verenigde Staten dat radicaal verschilt van onze Europese houding.
Amerikaanse universiteiten slagen erin hun onderwijs beter te laten aansluiten bij de noden van de samenleving. Diploma’s hebben er doorgaans een hogere waarde dan in Europa waar de massaproductie van diploma’s welig tiert. De inkomsten van de universiteiten zijn er veel breder: bedrijfsinvesteringen, subsidies, filantropie en inschrijvingsgelden zorgen voor een groot budget waarmee men hoogstaand onderwijs kan aanbieden. De Amerikaanse samenleving beseft dat hoger onderwijs een investering is voor alle betrokkenen. De wil om gezamenlijke inspanningen te leveren is er veel sterker aanwezig en lijkt ook tot betere resultaten te leiden. Uiteraard heeft ook dit systeem zijn problemen en nadelen, maar het is nooit te laat om een voorbeeld te nemen aan de positieve invloeden van die Amerikaanse houding.
Alternatieve financiering

We moeten in Vlaanderen kiezen wat we verwachten van het hoger onderwijs. We kunnen de weg bewandelen van de zuivere emancipatie, van de gelijkheidsfabriek, ten nadele van belastingbetaler en student. Of we kunnen inzien dat ons onderwijs een investering is, een middel om voor ons allen meer welvaart te creëren. Studenten stellen hun beroepsactiviteiten uit om een betere toekomst voor zichzelf uit te bouwen. Bedrijven stellen geschoold personeel te werk. En de samenleving op haar beurt profiteert van innovatie op allerlei academische en technologische terreinen. Kortom: investeren in hoger onderwijs rendeert voor alle groepen die daartoe bereid zijn. Het is dus niet onredelijk dat studenten bijdragen in de kosten van hun opleiding. Studieleningen, fiscaal vriendelijke spaarformules, beurzen of studentenjobs zijn slechts een paar manieren voor studenten om hun opleiding te financieren zonder voortdurende financiële onzekerheid. Maar ook bedrijven zullen in de toekomst nauwer moeten samenwerken op het vlak van onderzoek en ontwikkeling. De spin-offs van de laatste jaren zijn alvast een mooi voorbeeld van het potentieel dat men nog niet ten volle benut.
De welvaart van morgen wordt vandaag gezaaid. Het is de verantwoordelijkheid van elke speler om onze kenniseconomie tot bloei te laten komen. Niemand kan de vruchten plukken van een systeem waartoe zij niet willen bijdragen.

 
At 12:07 Vincent De Roeck said...

De buitenlandse vertegenwoordiging van deelstaten
Philippe Caeymaex in Blauwdruk

Volgens het volkenrechtelijk principe “in foro interno, in foro externo”, oefenen de Belgische deelstaten hun bevoegdheden op internationaal niveau uit. Dit is een correct gevolg van de opeenvolgende staatshervormingen. Door nationalistische gevoelens gedreven, zijn de deelstaatregeringen echter begonnen, op kosten van de belastingbetaler, met echte “ambassades” te openen in verschillende landen.

Het kleine federale België van 10 miljoen inwoners beschikt vandaag over twee diplomatieke diensten, een federale diplomatie en een buitenlandse vertegenwoordiging van de deelstaten.
Ingevolge artikel 167 van de Grondwet is de Koning bevoegd voor het buitenlands beleid. Dit verouderd artikel is sinds 1831 niet meer aangepast. In 1831 heeft men dit in de Grondwet ingeschreven om Leopold I te overtuigen om koning der Belgen te worden. Koning Leopold I vond de Belgische grondwet veel te liberaal en wilde zelf ook beleid voeren. In het post-revolutionaire België van 1830 was het immers zaak om België erkend te krijgen door alle buitenlandse mogendheden. Koning Leopold I heeft dan ook veel moeite gedaan om deze erkenning te bekomen. In de actuele context verwijst artikel 167 natuurlijk naar de federale minister van buitenlandse zaken die bevoegd is voor het buitenlands beleid.

Sinds 1993 is hier echter verandering in gekomen. Het volkenrechtelijk principe van “in foro interno, in foro externo” wordt toegepast door de Belgische deelstaten om ook op internationaal niveau beleid te voeren. Dit principe verwijst immers naar het feit dat de deelstaten de bevoegdheden die ze hebben op het gewestelijk- of het gemeenschapsniveau, ook kunnen uitoefenen op het internationale niveau. De deelstaten kunnen ook verdragen sluiten aangaande de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden. De deelstaten hebben vertegenwoordigers in verschillende Europese en Internationale instellingen, zoals bijvoorbeeld het Comité van de Regio’s. Deze bevoegdheden zijn een logisch en correct gevolg van de opeenvolgende staatshervormingen.

Vanaf 1999 begonnen de deelstaten echter met het openen van “ambassades” in verschillende landen. Volkenrechtelijk waren dit geen echte ambassades, maar onderdelen van de federale ambassades. De deelstaatregeringen kochten hiervoor exclusieve gebouwen in de meest exclusieve wijken van verschillende wereldsteden. In deze huizen worden de vertegenwoordigers van de deelstaatregeringen ondergebracht, alsook meestal de dienst Export van de deelstaat en de dienst Toerisme. Het Vlaams Gewest heeft momenteel 10 dergelijke huizen en het Waals Gewest heeft 15 Waalse huizen. De ligging van de verschillende huizen wordt volledig arbitrair gekozen. Zo heeft Vlaanderen huizen in Nederland, Duitsland en Zuid-Afrika en heeft het Waals Gewest huizen in ondermeer Marokko, Quebec, Frankrijk. Het opmerkelijkste is dat in de landen waar een bepaalde deelstaat geen buitenlandse vertegenwoordiging heeft, de federale ambassade de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden uitoefent. Want de Belgische Ambassades hebben de residuaire bevoegdheid over alle Belgische buitenlandse aangelegenheden.
In Den Haag bijvoorbeeld promoot de Vlaamse buitenlandse vertegenwoordiging de Vlaamse cultuursector en zorgt ervoor dat er verschillende Vlaamse tentoonstellingen plaats vinden in Den Haag. Maar er vinden ongeveer evenveel Waalse tentoonstellingen plaats, dewelke dan worden geopend door de Belgische Ambassadeur en waarvoor deze ambassadeur heeft bemiddeld en promotie gevoerd. Administratief werk wordt ook niet gedaan door deze huizen, want dat is een bevoegdheid van de consulaten en/of de ambassades. De Buitenlandse Vertegenwoordigingen kunnen enkel doorverwijzen naar de consulaten en ambassades.

Het is een goede zaak dat de deelstaten bevoegdheden hebben gekregen volgens het volkenrechtelijk principe “in foro interno, in foro externo”. De deelstaten moeten deze bevoegdheden ook effectief uitoefenen om zowel op economisch als op cultureel en toeristisch niveau de verschillende regio’s te promoten. Zo is het een goede zaak dat er een vertegenwoordiger van de Vlaamse regering komt onderhandelen met de Nederlandse overheid over dossiers zoals de IJzeren Rijn, HSL of de uitdieping van de Schelde. Wanneer het toerisme wordt gepromoot door de Vlaamse Regering, kan deze gemakkelijk een attaché sturen voor een bepaalde tijd. Ook al moet hier natuurlijk de vraag gesteld worden of het promoten van toerisme een taak van een overheid is.
Al deze vertegenwoordigers kunnen gemakkelijk onderdak vinden in de federale ambassades.
De hoofdvraag is natuurlijk waar dit eindigt. Hoeveel Vlaamse en Waalse huizen komen er nog in de wereld? Gaat men in elk land een ambassade, enkele consulaten, een Vlaamse én een Waals Huis installeren om 10 miljoen Belgen te vertegenwoordigen?
De aankoop en onderhoud van deze prachtige onroerende goederen zijn enorm. Daarenboven werken er tientallen personen die allemaal goed betaald worden door de belastingbetaler.

Dit verhaal is maar een van de vele punten waarover de overheid dringend moet nadenken of hierop bespaard kan worden. Het overheidsstelsel in België is niet langer betaalbaar. Maar de politiek blijft het stelsel uitbreiden, in plaats van in te krimpen. Iets waar wij zeker vraagtekens bij hebben.

 
At 10:56 Marc Huybrechts (op IFF) said...

1) Allereerst proficiat voor je nu-bijna-voorbije LVSV engagement, en veel sukses toegewenst met de "nieuwe horizonten". Mensen die onafhankelijk kunnen denken van de omringende heersende culturele/ideologische orthodoxie zullen er steeds te weinig zijn, terwijl de straten (en media) geplaveid blijven met parroteerders.

2) Newsweek is al vele jaren geleden in de handen van 'socialisten' geraakt en, nog erger, van westerse perverse zelfhaters. Haar redactie doorloopt nu vandaag een emotioneel 'high', ondanks het feit dat het bladje commercieel achteruitboert. Maar, zij beseft nog niet hoe tijdelijk dit gaat zijn, want van geschiedenis kennen ze niet veel. Laat ze maar denken dat we vandaag (bijna) allemaal socialisten zouden zijn. De concrete realiteit, in de vorm van de komende acties van niet-westerse mogendheden en van de (gemiddelde) trage economische groei die we nu kunnen verwachten voor de komende dekade in het Westen, zullen de slingerbeweging weer herstellen. "Overwinningen" zijn steeds tijdelijk, en een nieuwe overwinning voor de vrijheid zal inderdaad niet voor morgen zijn. Na de Goldwater-speech van Reagan duurde het ongeveer 15 jaren om de ommekeer te kunnen bekomen. Deze keer gaat het hopelijk minder lang duren (want de Obama-crowd is nog erger dan de Carter-crowd was). En het is ook te verhopen dat, na een nieuwe overwinning voor de vrijheid, uw generatie dan de onvermijdelijke nieuwe verloedering wat langer zal kunnen tegenhouden dan de mijne heeft gekund.

3) De "vrije markt" is een goed en positief credo. Maar men helpt "de liberale zaak" niet door het begrip "marktfalen" tot "grootste vijand" te verklaren. Marktfalingen kunnen reeel zijn. In zulke gevallen zijn er twee verschillende 'SLECHTE' reacties mogelijk: (a) de faling negeren of ontkennen, of (b) de vrije markt afzweren en/de overheid verheerlijken. De betere of 'GOEDE' reactie is dan (c) van de faling te erkennen en te insisteren dat de overheid probeert van de vrije markt ofwel te 'herstellen', te bevorderen, of zo veel mogelijk 'na te bootsen' (in de zin van dezelfde resultaten van competitie proberen te bekomen).

4) Het is niet waar dat "elke vorm van overheidsinmenging uiteindelijk leidt tot totalitaire dictatuur". Dat lijkt me een ongeoorloofde verwarring van politieke (observeerbare) wetmatigheden met economische realiteiten. Of men in een dictatuur vervalt, of niet, wordt bepaald door culturele factoren (en hoofdzakelijk door morele falingen), terwijl economische realiteiten (inclusief specifieke marktfalingen) met intelligentie kunnen aangepakt worden. Het is dan gewenst dat men, bij die aanpak, het credo van de "vrije markt" voor ogen houdt.

 
At 10:56 Gipper said...

hoogmoed typeerd de eeuwige politici,... "Politici die denken de economie te kunnen sturen, zijn ofwel naïeve leugenaars ofwel gevaarlijke gekken". Niet enkel de economie dient de politici te ondergaan ook de aarde en het milieu kan hij aan.

 
At 10:57 Marc Huybrechts (op IFF) said...

@ Gipper

De echte 'Gipper', Ronald Reagan (soms ook 'Dutch' genoemd, zoals Vincent schreef in zijn zwanenzang), was veel duidelijker dan u.

Geen enkele politieker is eeuwig, en niet alle politici zijn hoogmoedig. Maar, het is wel zo dat er vele politiekers zijn die naievelijk denken dat ze de economie zouden kunnen sturen, en er zijn er nog meer die dat enkel pretenderen van te doen om, zodoende, meer macht te kunnen verzamelen voor zichzelf en de eigen kliek.

Het is spijtig, maar uw laatste zin is onbegrijpelijk of tenminste vatbaar voor verschillende tegenstrijdige interpretaties.

 

Een reactie plaatsen